Intentieverklaring bevordering deskundigheid pensioenfondsbestuur ondertekend door voorzitters Stiichting van de Arbeid en CSO
14 december 2006 - Pensioenfondsen moeten zich meer dan ooit inspannen om de deskundigheid van hun bestuursleden en leden van deelnemersraden te bevorderen. De nieuwe Pensioenwet, waarin ook de medezeggenschap en de principes voor goed pensioenfondsbestuur zijn vastgelegd, maakt dit des temeer noodzakelijk. Gebleken is dat er behoefte is aan een duidelijk en transparant stelsel van kwalitatief goede pensioenopleidingen.
Dat staat in de gezamenlijke oproep aan de drie pensioenkoepels (VB, OPF en UvB) van de centrale organisaties van werkgevers en van werknemers aangesloten bij de Stichting van de Arbeid, mede namens de jongerenorganisaties van FNV en CNV en het Coördinatieorgaan Samenwerkende Ouderenorganisaties (CSO). De oproep is namens deze organisaties ondertekend door de beide voorzitters van de Stichting van de Arbeid, Agnes Jongerius en Bernard Wientjes alsmede door Gijp van Soest, voorzitter van het CSO.
Doel van de intentieverklaring is een extra impuls te geven om de deskundigheid van bestuurders van pensioenfondsen, leden van deelnemersraden en leden van verantwoordingsorganen op niveau te brengen en te houden. De intentieverklaring is ook een signaal richting wetgever en De Nederlandsche Bank (DNB) dat de pensioensector ook op dit terrein zelfregulering hoog in het vaandel heeft.
Te treffen maatregelen De drie pensioenkoepels worden opgeroepen:
- deskundigheidseisen vast te stellen voor bestuursleden, leden van deelnemersraden en leden van verantwoordingsorganen die in het kader van Pension Fund Governance volgens de Pensioenwet in 2007 moeten worden ingesteld;
- contacten te onderhouden met DNB over relevante ontwikkelingen;
- kwaliteitseisen te ontwikkelen voor aanbieders van cursussen;
- belanghebbenden hierover te informeren.
Eindtermen ontwikkelen
In de intentieverklaring worden de pensioenkoepels ook opgeroepen de discussie te starten over de ontwikkeling van ‘eindtermen’ inzake deskundigheid van bestuursleden van pensioenfondsen, waarbij de volgende niveaus kunnen worden onderscheiden:
Niveau 1: Een minimumniveau van deskundigheid waarover het individuele bestuurslid, het lid van een deelnemersraad of van een verantwoordingsorgaan (aan het einde van het eerste jaar in functie) moet beschikken.
Niveau 2: Een niveau van deskundigheid dat door het bestuur van een pensioenfonds als geheel moet worden afgedekt. De verdeling van die deskundigheid is een zaak van het pensioenfondsbestuur zelf.
Niveau 3: Permanente educatie.