Jaarverslag 2000
Verslag van werkzaamheden 2000
mei 2000 – publicatienr. 6/01
Terugblikkend op de activiteiten in een verslagjaar, ontstaat snel de neiging een afweging te maken met betrekking tot hetgeen in die afgelopen periode als een zeker hoogtepunt kan worden gezien voor de organisatie.
Was dat (in het geval van de Stichting van de Arbeid) het Plan van Aanpak gelijke behandeling mannen en vrouwen, de (geactualiseerde) Aanbeveling Werving en Selectie, het (met Zorgverzekeraars Nederland) afgesloten Convenant collectieve bedrijfsverzekeringen op het gebied van ziektekosten of het eind 2000 tot stand gekomen akkoord: “Er is meer nodig: aanbevelingen voor het arbeidsvoorwaardenbeleid 2001’ (om maar eens enkele voorbeelden te noemen)?
Het feit dat laatstgenoemd akkoord als bijlage bij dit jaarverslag is opgenomen, zou erop kunnen duiden dat het tot stand komen daarvan als een dergelijk hoogtepunt zou kunnen worden beschouwd. De ervaring wijst echter uit dat lang niet altijd op voorhand als belangrijk beschouwde adviezen of akkoorden achteraf ook feitelijk die functie blijken te vervullen. En ……… omgekeerd! Want de betekenis die bijvoorbeeld thans algemeen aan het Akkoord van Wassenaar wordt toegekend, is in 1982 door de opstellers ervan op dat moment zeker niet voorzien. In dat opzicht blijft de impact en doorwerking van aanbevelingen en akkoorden die in de Stichting tot stand komen, steeds weer moeilijk voorspelbaar.
Toch is die doorwerking in CAO’s en in het beleid van CAO-partijen op decentraal niveau op termijn bepalend voor het bestaansrecht van een instantie als de Stichting van de Arbeid. Dat bestaansrecht kan immers niet beargumenteerd worden op basis van successen uit het verleden: er moet sprake blijven van een voldoende draagvlak voor datgene wat werkgevers en werknemers in Stichtingsverband overeenkomen om de Stichting een blijvende en zinvolle rol te laten spelen. Zij moeten aanvoelen wat er op het brede terrein van de arbeidsverhoudingen leeft, op welke wijze aan de verdere ontwikkeling daarvan mede richting kan worden gegeven en hoe daartoe concrete handreikingen kunnen worden geboden ten behoeve van werkgevers en werknemers op decentraal niveau.
Succes is daarbij niet bij voorbaat verzekerd. En bovendien kan het oordeel over al-dan-niet succesvol verschillen, naar gelang bijvoorbeeld verschillen bestaan in de verwachtingen over de te bereiken resultaten dan wel de termijn waarbinnen die resultaten bereikt zouden moeten worden. Dat alles vraagt telkens weer om een zorgvuldige keuze en timing wat betreft de thema’s die partijen binnen de Stichting met elkaar bespreken. Dat dienen thema’s te zijn die niet alleen, zoals gezegd, door achterbannen als relevant worden beschouwd maar waarbij ook de redelijke verwachting bestaat dat daarover gezamenlijke opvattingen kunnen worden geformuleerd die vanzelfsprekend voor CAO-partijen een duidelijke toegevoegde waarde moeten hebben.
Dat is het spanningsveld waarbinnen partijen in de Stichting moeten opereren, soms bovendien nog met de hete adem van (ongeduldige) politici in de nek. Maar dat vormt tegelijkertijd de uitdaging waar sociale partners permanent voor staan, niet in de laatste plaats omdat het adequaat omgaan met die uitdaging (voor een deel althans) ook bepalend is voor het (toekomstig) bestaansrecht van de centrale organisaties als zodanig.