Jaarverslag 2002
Verslag van werkzaamheden 2002
mei 2003 – publicatienr. 4/03
Zwar weiss ich viel, doch möcht’ich alles wissen!
Goethe (Faust)
Het besef dat kennis en vooral kennisvergroting van cruciaal belang is voor de toekomst van een samenleving, is alom aanwezig. Dat feit alleen is evenwel nog geen garantie dat dat besef ook daadwerkelijk wordt omgezet in adequaat beleid tot vergroting van de kennisintensiteit.
Op de Europese top in Lissabon in 2000 hebben de Europese leiders zich ten doel gesteld dat Europa in 2010 het meest dynamische en concurrerende werelddeel dient te zijn. De Nederlandse regering heeft het aangedurfd om aan die doelstelling nog een extra dimensie te geven door ons land te willen laten behoren tot de top3 in Europa.
Een lofwaardig streven! Maar sindsdien zijn er drie jaren verstreken, zijn de economische omstandigheden er niet rooskleuriger op geworden en is als gevolg van politieke instabiliteit het beleid zelf op een laag pitje terecht gekomen met alle risico’s van dien.
Want stilstand in de ontwikkeling van het algemene kennisniveau en het achterblijven bij de internationale ontwikkeling op kennisgebied bergt het risico in zich van exponentieel negatieve effecten op het groeivermogen van een economie.
Innovatie, d.w.z. het vergaren en toepassen van kennis in nieuwe producten, productieprocessen en organisaties, brengt daarentegen dynamiek in de economie.
Het was de Oostenrijkse econoom Joseph Schumpeter die al lang geleden het toepassen van ‘Neue Combinationen’ aanwees als de motor van het economisch leven. Innovatie creëert een voorsprong in de markt en leidt tot productiviteitsverhoging. En om dat laatste is het vooral ook te doen, zeker in de Nederlandse situatie.
De productiviteit en vooral de ontwikkeling van de productiviteit van de Nederlandse economie is een zorgenkindje. Niet voor niets staat dat onderwerp dan ook in de belangstelling. Met de totstandkoming van de Europese Monetaire Unie is een aantal voorheen belangrijke instrumenten van economische politiek weggevallen. Een van de (althans in theorie nog beschikbare) instrumenten is het instrument van een loonmaatregel. In de huidige omstandigheden en verhoudingen d.w.z. zoals die gegroeid zijn in de afgelopen decennia na het Akkoord van Wassenaar in 1982 en de daarbij behorende - algemeen aanvaarde - verdeling van verantwoordelijkheden, is de inzet van dat instrument echter nauwelijks of beter: in het geheel niet denkbaar zonder dat dit tot ernstig verstoorde verhoudingen zou leiden (nog afgezien van de vraag of het instrument vandaag de dag nog effectief zou zijn).
Alternatief is evenwel het richten van de aandacht op een structurele verhoging van de productiviteit: een effectief instrument uit een oogpunt van beleidsconcurrentie en (niet te vergeten) tevens inzetbaar om enigszins het hoofd te kunne n bieden aan de gevolgen van de komende vergrijzing en daarmee gepaard gaande verkrapping van de arbeidsmarkt.
Er zijn vele wegen waarlangs die productiviteit kan worden verhoogd: door verhoging van R & D-uitgaven, door een effectievere verspreiding van nieuwe kennis en toepassing daarvan door betere samenwerking tussen bedrijfsleven en kennisinstituten en niet in de laatste plaats door verhoging van de kwaliteit van de arbeid door scholing en opleiding d.w.z. vergroting van de ‘employability’ van (toekomstige) werknemers.
Sociale partners in de Stichting van de Arbeid hebben zich de laatste jaren voor dat laatste nadrukkelijk ingezet. Aan CAO-partijen en ondernemingen zijn aanbevelingen gedaan om de kwaliteit van de arbeid structureel te verhogen.
Aan de overheid is gevraagd met name het beroepsonderwijs extra (financiële) impulsen te geven en ook werknemers te stimuleren hun employability te vergroten via fiscale faciliëring van scholing en opleiding. Aan dat verzoek is de overheid (deels) tegemoet gekomen. Er liggen echter nog de nodige onvervulde wensen.
De politieke turbulentie tijdens het verslagjaar, tot uiting komend in de komst en kortelings daarna de val van het kabinet Balkenende, recent uitmondend in de vorming van een tweede kabinet Balkenende, en het door dat laatste kabinet opgestelde nieuwe Regeerakkoord, heeft de onderlinge verhoudingen niet in alle opzichten goed gedaan.
De totstandkoming van de ‘Verklaring inzake het arbeidsvoorwaardenbeleid 2003’ in de Stichting eind november in relatie tot het kabinetsbeleid was (hoewel in zijn soort uniek!) al een moeizaam proces en er zijn vooralsnog geen aanwijzingen dat een herhaling (zeker niet voor een periode van meerdere jaren) aanstaande is.
Niettemin vragen de huidige economische omstandigheden om een gecoördineerde beleidsaanpak, gericht op een structureel economisch herstel. Er mag van worden uitgegaan dat de wenselijkheid en zelfs de noodzaak van zo’n aanpak als zodanig in beginsel door alle partijen wordt onderschreven. Het gaat er evenwel om of wederzijds de condities kunnen worden gecreëerd om ook effectief tot zo’n aanpak te komen. De voortekenen wijzen, zoals gezegd, vooralsnog niet zonder meer in die richting: ook in de arbeidsverhoudingen is er sprake van perioden van op- en neergang.