Jaarverslag 2003
Verslag van werkzaamheden 2003
juni 2004 – publicatienr. 9/04
Het verloop van het proces van overleg over de arbeidsvoorwaardenvorming (mede) in relatie tot het kabinetsbeleid vertoonde in het verslagjaar 2003 een hoge mate van gelijkenis met dat in 2002. Dat proces kan als volgt worden getypeerd: onder druk van door het kabinet op de 3e dinsdag van september gepresenteerde maatregelen op diverse beleidsterreinen waarop werkgevers en werknemers (zij het in uiteenlopende mate) de nodige kritiek hadden, vonden vervolgens onderhandelingen plaats met als inzet:
- het geheel of gedeeltelijk terugdraaien van door het kabinet aangekondigde maatregelen in combinatie met
- een gematigde contractloonontwikkeling in de CAO’s.
In zowel 2002 als 2003 heeft dat uiteindelijk geleid tot (weliswaar afzonderlijke maar wel onderling samenhangende) Verklaringen van enerzijds sociale partners in de Stichting met aanbevelingen over het te voeren arbeidsvoorwaardenbeleid en anderzijds van het kabinet terzake bijstelling van het aanvankelijk voorgenomen beleid.
Opvallend in de Stichtingsverklaringen van de laatste jaren is het meer en meer stringente karakter van de aanbevelingen. Zo bevatte de Verklaring 2003 de aanbeveling om voor dat jaar de contractloonstijging tot maximaal 2,5% te beperken terwijl in de Verklaring 2004 – 2005 zelfs sprake is van een nullijn wat betreft de contractloonstijging voor 2004 en van een tot nul naderende contractloonstijging (zij het nadrukkelijk onder voorwaarden) voor 2005.
In de historie van de Stichting zijn niet eerder dergelijke stringente aanbevelingen gedaan, d.w.z. dermate concreet wat betreft het percentage contractloonstijging. En dat terwijl sinds het Akkoord van Wassenaar in 1982 de trend naar decentrale verantwoordelijkheid en besluitvorming over lonen en andere arbeidsvoorwaarden is ingezet die tot vandaag de dag nog steeds wordt onderschreven.
Geconstateerd kan eveneens worden dat de onderhandelingen in 2003 (nog) moeizamer zijn verlopen dan het jaar ervoor. Naar alle waarschijnlijkheid is dat mede een gevolg van het feit dat de door het kabinet in 2003 aangekondigde maatregelen werden ervaren als nog ernstiger en ingrijpender dan die van het jaar daarvoor, in het bijzonder wat betreft de drastische maatregelen die werden voorgesteld op het gebied van VUT en prepensioen.
Die maatregelen moeten worden gezien in het perspectief van de doelstelling van een structurele vergroting van de netto arbeidsparticipatie in verband met de toenemende vergrijzing van de bevolking.
Die doelstelling is mede gebaseerd op de EU-afspraken in het kader van de zgn. Lissabon-strategie evenals een tweede beleidsdoelstelling: het op structureel hoger niveau brengen van de groei van de productiviteit uit een oogpunt van behoud en versterking van de internationale concurrentiepositie.
Hoewel beide doelstellingen door alle partijen worden onderschreven, wordt niet altijd onderkend dat beide ook enigszins op gespannen voet met elkaar staan.
Verhoging van de arbeidsparticipatie leidt ceteris paribus tot een lagere arbeidsproductiviteit en omgekeerd.
Het gaat er dan ook om een zodanig beleid te ontwikkelen dat op langere termijn beide doelstellingen in onderling evenwicht kunnen worden bereikt. Als belangrijke voorwaarde daarvoor geldt dat verhoging van de arbeidsparticipatie gepaard moet gaan met een substantiële kwaliteitsverbetering van de arbeid die tot een economische groei genererende productiviteitsverhoging moet leiden.
De vraag is of in de huidige omstandigheden de voorwaarden kunnen worden gecreëerd om een dergelijk economisch strategisch beleid te bewerkstelligen. Op dit moment lijkt er een patstelling te bestaan vanwege een vertrouwenscrisis tussen de diverse actoren die de laatste jaren geleidelijk is ontstaan. Het is niet waarschijnlijk dat het kabinet in de nabije toekomst de gedragslijn van de afgelopen jaren, t.w. het aankondigen van drastische maatregelen die vervolgens in ruil voor loonmatiging deels worden ingetrokken of opgeschort, zal kunnen blijven volgen. Zo’n strategie staat in ieder geval, naar de praktijk inmiddels heeft uitgewezen, niet garant voor ontspannen arbeidsverhoudingen.
Het valt bovendien niet te verwachten dat sociale partners (en in het bijzonder de vakbeweging) bereid zullen zijn om op deze wijze regelmatig ‘achteruit’ te onderhandelen.
Het coördinatie-mechanisme van overleg en vrijwillige onderlinge afstemming zoals dat in de jaren negentig heeft gefunctioneerd, kan slechts zijn effectiviteit herkrijgen indien gewerkt wordt aan herstel van onderling vertrouwen op basis van een beleid waarin consequent maar geleidelijk wordt gewerkt aan realisatie van bovengenoemde doelstellingen en met inachtneming van de voorwaarden waaraan voor een (gelijktijdige) realisering ervan moet zijn voldaan.