Dag 7: Sectorplannen Zorg: smeerolie voor transitie

24 februari 2015

 RegioPlus
Karin Luidens (l) en Joke ter Stege (r) van RegioPlus. “Waar we dachten aan scholing van 60.000 tot 70.000 mensen, worden dat er 80.000 tot 100.000.”

Vanaf het begin van dit blog heb ik de angst gevoeld bij het onderwerp Zorg. Het doorgronden van deze sector met al haar complexe structuren en belangen is simpelweg onmogelijk. En waar ik steeds over blijf piekeren: hoe kan het zo zijn dat een sector met een omvang van bijna €100 miljard per jaar, baat heeft bij een sectorplan van €100 miljoen, 1% van de totale financiering? Alsof het onmetelijk welvarende Apple een lening gaat vragen bij de bank, omdat de directie anders geen boodschappen meer kan doen. Een beetje huiverig ga ik naar RegioPlus om een eerste, verkennende stap in deze wondere wereld te zetten. Onderweg gooi ik mijn aarzelingen en kritiek overboord: het gaat nu om de mensen die zorgen voor de mensen die ziek zijn, ziek worden of ziek blijven.

RegioPlus is het samenwerkingsverband van 16 regionale werkgeversorganisaties in de zorgsector. En directeur Joke ter Stege heeft de totstandkoming van de sectorplannen van dichtbij meegemaakt. Zij ziet de sectorplannen als smeerolie voor de veranderende zorg. “De transitie in de zorg is ook een maatschappelijke transitie. Er worden nu hele andere competenties van medewerkers gevraagd. Mensen moeten zelfstandiger kunnen werken, ze werken nu bijvoorbeeld steeds vaker bij de mensen thuis.” Karin Luidens - beleidsadviseur Arbeidsmobiliteit – vult aan: “Het sectorplan is hard nodig. In sommige regio’s zijn alle subsidies al besteed aan scholing en bijscholing. Waar we dachten aan scholing van 60.000 tot 70.000 mensen, worden dat er 80.000 tot 100.000.”

Sectorplan vergt per regio een andere aanpak

De zorgsector maakt actief gebruik van de investering van in totaal €600 miljoen van het kabinet. De €100 miljoen die beschikbaar is gesteld voor de zorgsector gaat naar het opvangen van de veranderingen in de zorg. “67,5 miljoen gaat naar scholing en 32,5 miljoen naar werk-naar-werk”, rekent Luidens voor. 67,5 miljoen is via de regionale werkgeversorganisaties beschikbaar en 32,5 miljoen voor VWNW is via de brancheorganisaties (Actiz, VGN en GGZ Nederland) beschikbaar voor werkgevers. Het geld van de sectorplannen worden regionaal verschillend ingezet. “De zorg verschilt per regio van aard en vergt per regio een andere aanpak. Amsterdam heeft bijvoorbeeld acht ziekenhuizen, Noord-Friesland maar één.”

Volgens Ter Stege valt ook de eerder verwachtte uitstroom - enigszins - mee. “We moeten meer met minder doen maar tegelijkertijd zien we een run op opleidingen. Vooral het bijscholen naar mbo-niveau 3 en 4 en hbo-niveau 4 en 5 neemt een vlucht. Daarnaast zien we een kloof tussen de basisopleidingen en de praktijk. We hebben mensen met de nodige competenties nú nodig maar voordat het onderwijs haar leerprogramma’s heeft aangepast zijn we jaren verder. Nu zijn er echt mensen te kort. Het gaat dan onder meer om praktijkondersteuners in de huisartsenzorg, wijkverpleging niveau 5 en OK-assistenten. Die kunnen meteen aan de slag. We zien ook een tekort aan stageplaatsen. Het komt er op neer dat de sector zelf de mensen gaat opleiden.”

De zorgsector kent de grootste arbeidspopulatie in het land, met meer dan 1,4 miljoen werknemers. Voor de werkgevers die wat verder in de toekomst kijken, ontstaan er nieuwe uitdagingen, door de transitie. “Naast de noodzaak tot opleiden voor extra krachten in de 1e lijnszorg, zien we bijvoorbeeld de gemiddelde leeftijd van werknemers in de GGZ omhoog vliegen. Daar zijn bij de recente bezuinigingen de jongeren uitgestroomd. Straks vliegt de vergrijzing op ons af. Werkgevers zijn gefocust op instroom en behoud van personeel. Daarom noem ik de sectorplannen de smeerolie tussen de gewenste transitie per 1 januari van dit jaar, ingezet door het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, en het opvangen van de effecten daarvan in de praktijk”, aldus Ter Stege.

Interbellum tussen beleid en praktijk

Precies op dit moment in het gesprek slaat de huiver weer toe. Met het invoeren van de WMO, de Jeugdwet en de Participatiewet per 1 januari mogen we spreken van een interbellum tussen beleid en praktijk. En over een decennium of wat zullen we pas weten of het geschiedenisboek rept over ‘het drama van Van Rijn’ of het ‘Succes van Rutte II’. We kennen immers het gezegde over de vele vaders van succes en die ene van de mislukking. En het gaat hier wel over €100 miljoen aan belastinggeld dat in de sector wordt geïnvesteerd, er zijn parlementaire enquêtes om minder gehouden. Ter Stege begrijpt mijn ambivalente gedachte: “Dat is ook één van onze drijfveren. Accountability is goed en kwalitatieve toetsing is nog beter. Het is uitdrukkelijk niet de bedoeling dat het geld wordt gespendeerd aan cursussen macrameeën of sieraden maken en dat soort zaken.”

Karin Luidens sluit zich daarbij aan. “De uitvoering van de sectorplannen wordt goed geregeld. Of het nu interne opleidingen zijn, roc’s, particuliere roc’s, interne opleiders, externe cursussen: werkgevers en werknemers moeten er samen vorm aan geven en dan worden misstanden voorkomen. In elke regio is er een Arbeidsmarktrelevantietoetsingscommissie die beoordeelt of een opleiding in aanmerking komt voor financiering vanuit het sectorplan.” Ik beloof Luidens dat ik dat woord niet in de kop zal gebruiken. Maar ik kan het niet laten om dit blog er mee te besluiten. Dus nog één keer: Arbeidsmarktrelevantietoetsingscommissie. 

 
 


Actieteam crisisbestrijding
Seger Pijnenburg
Seger Pijnenburg