Moderne en betaalbare pensioenen voor alle werknemers

Publicatienr. 05/01

Geactualiseerde agenda met aanbevelingen voor het decentrale pensioenoverleg voor de komende jaren

17 mei 2001 - In mei 1997 hebben werkgevers en werknemers in de Stichting van de Arbeid een ‘agenda’ voor het decentrale pensioenoverleg geformuleerd met een pakket van met elkaar samenhangende aanbevelingen gericht op vernieuwing van pensioenregelingen in combinatie met beheersing van de pensioenlasten. De samenvatting van de aanbevelingen uit 1997 is opgenomen in de bijlage.
Pensioenregelingen zouden meer moeten worden afgestemd op de zich snel veranderende samenleving. In het bijzonder zouden trends als individualisering en flexibilisering ook dienen door te werken in de arbeidspensioenregelingen. Mede met het oog op de kostenconsequenties van de toenemende vergrijzing van de (beroeps)bevolking en vanuit het besef dat ook vernieuwing en aanpassing van de pensioenregeling kosten met zich brengen, achtte de Stichting het van groot belang dat meer aandacht wordt besteed aan de noodzaak van beheersing van de pensioenkosten. Daarnaast vroeg de Stichting in haar aanbevelingen nadrukkelijk aandacht voor het thema van het verbeteren van de toegankelijkheid van pensioenregelingen, onder meer door het afschaffen of beperken van toetredingsdrempels.

De aanbevelingen van de Stichting kwamen tot stand tegen de achtergrond van het verschijnen in 1996 van de kabinetsnota Werken aan zekerheid. In deze nota gaf het toenmalige kabinet Kok I wat de arbeidspensioenen betreft aan om met het oog op de te verwachten stijging van de pensioenkosten op langere termijn, met behulp van het fiscale- en het verplichtstellingsregime te bevorderen dat eindloonregelingen zouden worden omgebouwd tot (geïndexeerde) middelloonregelingen.
Werkgevers en werknemers hebben zich zowel om principiële als om praktische redenen tegen dit beleidsvoornemen verzet. Op basis van de verantwoordelijkheidsverdeling tussen overheid en de sociale partners vonden de sociale partners het een uitdaging om te trachten zelf op decentraal niveau een kwalitatief goed en flexibel stelsel van arbeidspensioenen te realiseren dat niet alleen voldoet aan de hedendaagse eisen, maar dat ook, door een bewuste inzet op kostenbeheersing, toekomstbestendig zal blijken te zijn.

Intensief overleg met de overheid leidde er vervolgens toe dat op 9 december 1997 met het kabinet een convenant werd overeengekomen, het Convenant inzake de arbeidspensioenen. In dit convenant werden de eerdere aanbevelingen gericht op vernieuwing van de arbeidspensioenregelingen geïncorporeerd en werd op het punt van de kostenbeheersing een concrete toetsbare afspraak gemaakt. Deze afspraak hield in dat op een vijftal endogene factoren macro gezien over de periode 1 januari 1998 tot 1 januari 2001 de structurele pensioenlasten niet zouden mogen toenemen. Als hieraan zou worden voldaan, zou het kabinet niet ingrijpen in de fiscale faciliëring van pensioenregelingen.
Begin februari 2001 concludeerden de convenantspartijen met elkaar op basis van de door de Pensioen- & Verzekeringskamer op verzoek van de convenantpartijen verrichte kostenmeting, de Pensioenmeetwijzer, dat aan de afspraak inzake kostenbeheersing was voldaan.
Naast de toets op de pensioenkostenontwikkeling, hebben de convenantpartijen recent gezamenlijke conclusies getrokken over de mate waarin de meer kwalitatieve aanbevelingen uit 1997 gericht op vernieuwing van de pensioenregelingen op decentraal niveau hebben geleid tot aanpassing van de pensioenregelingen. Dit op basis van een evaluatieonderzoek dat onder auspiciën van de SER is verricht.
Op basis van de uitkomsten van dit onderzoek hebben de convenantpartijen vastgesteld dat decentrale partijen betrokken bij pensioenregelingen gehoor hebben gegeven aan de oproep tot modernisering, kostenbeheersing en vergroting van de toegankelijkheid van pensioenregelingen zoals verwoord in het convenant. De convenantspartijen hebben dan ook met genoegen vastgesteld dat de doelstellingen van het convenant zijn gehaald.
Bij een aantal (vooral grotere) regelingen is het moderniseringsproces inmiddels tot een afronding gekomen, zodanig dat een vernieuwde pensioenregeling is afgesproken. Bij een flink aantal middelgrote regelingen en kleinere regelingen is het overleg nog gaande. Ten slotte zijn er ook regelingen waarbij het overleg over een vernieuwing nog niet of pas heel recent is gestart. Voor deze regelingen behouden de aanbevelingen uit 1997 hun waarde.

Niettemin hebben de sociale partners in de Stichting het wenselijk geoordeeld op dit moment niet alleen te komen met een herbevestiging van de aanbevelingen uit 1997, maar tegelijkertijd ook op onderdelen een actualisering aan te brengen, in de zin dat nieuwe accenten worden gelegd en op enkele onderdelen aandacht wordt geschonken aan meer recent tot stand gekomen aanbevelingen.

Wat de herbevestiging betreft, blijven de thema’s van modernisering en kostenbeheersing in hun onderlinge samenhang actueel. Modernisering, omdat emancipatie en individualisering verder gaan. Zo neemt het relatieve belang van het tweede inkomen nog steeds toe. In dit verband kan ook worden gewezen op de vergaande individualisering van de AOW. Modernisering van de pensioenregeling is ook nodig, omdat de behoefte aan individuele keuzemogelijkheden (maatwerk) op het gebied van de arbeidsvoorwaarden blijft toenemen. In steeds meer arbeidsvoorwaardenregelingen worden keuzemogelijkheden geboden voor werknemers (cao à la carte). De pensioenregeling mag daarbij niet achterblijven!
Ook het thema van de beheersing van de pensioenkosten heeft, gelet op de financiële gevolgen van de toenemende vergrijzing van de bevolking en de weer oplopende inflatie, mede gezien het bredere belang van een verantwoorde loonkostenontwikkeling, niets van zijn actualiteitswaarde verloren.

Nieuwe accenten worden gelegd op het bevorderen van kwaliteit en transparantie bij de uitvoering van de pensioenregeling. Maatschappelijk verantwoord beleggen wordt steeds meer een thema dat aandacht verdient.

Wat de sinds 1997 tot stand gekomen aanbevelingen op pensioenterrein betreft kan in de eerste plaats worden genoemd de aanbevelingen die in het kader van het in 1998 met het CSO overeengekomen convenant gericht op de verbetering van de medezeggenschap van in het bijzonder de gepensioneerden bij de uitvoering van pensioenregelingen.
In de tweede plaats kan in dit verband de aanbeveling worden genoemd, gedaan in februari 2000 over te maken afspraken over de doorwerking van de brutering van de overhevelingstoeslag per 1 januari 2001.
Bovendien biedt een actualisering de mogelijkheid om aandacht te schenken aan de samenhang tussen de aanbevelingen voor het decentrale pensioenoverleg en de eind 2000 overeengekomen centrale aanbeveling voor het arbeidsvoorwaardenoverleg 2001.

Daarnaast kan worden gewezen op de omstandigheid dat het kabinet over de modernisering van de PSW inmiddels het advies gevraagd heeft van de SER en dat in de desbetreffende adviesaanvraag het kabinet op sommige onderdelen voorstellen heeft gedaan die, althans naar het oordeel van de sociale partners, zich beter zouden lenen voor een aanbeveling dan voor regeling bij wet.

Ten slotte is van belang dat op Europees niveau de laatste jaren meer serieuze pogingen worden ondernomen om te komen tot bepaalde gemeenschappelijke beleidslijnen inzake arbeidspensioenregelingen. Ook daarop zal de komende jaren op het nationale niveau moeten worden ingespeeld.