Inkoop ouderdomspensioen over achterliggende dienstjaren

9 mei 2008 - Sociale partners zijn ontstemd over de interpretatie van Financiën van de afspraken gemaakt in het kader van het Najaarsakkoord 2004 over VUT, prepensioen en levensloop (VPL). Deze interpretatie leidt ertoe dat pensioenuitvoerders die op grond van de pensioenregeling aan deelnemers de mogelijkheid aanbieden om voor extra ouderdomspensioen te sparen, eerst de door hen vóór 1 januari 2006 opgebouwde aanspraken op prepensioen in mindering moeten brengen op de resterende fiscale inkoopruimte. Hierdoor worden deze deelnemers beperkt in de mogelijkheid om hun ouderdomspensioensituatie te verbeteren, bijvoorbeeld na een echtscheiding. of om het ouderdomspensioen één of twee jaar vóór de 65-jarige leeftijd te kunnen laten ingaan. Dit terwijl in het Najaarsakkoord van 2004 door het kabinet was toegezegd dat de vóór 1 januari 2006 opgebouwde prepensioenaanspraken zouden worden gerespecteerd. Voor de opbouw van prepensioen gold indertijd een apart fiscaal kader, los van dat voor het ouderdomspensioen. Thans bestempelt Financiën de oude prepensioenaanspraken als ouderdomspensioen, waardoor de mogelijkheden om gebruik te maken van het verruimde fiscale kader voor ouderdomspensioen worden beperkt.
Dat is de kern van het verschil van opvatting tussen sociale partners in de Stichting van de Arbeid en staatssecretaris De Jager van Financiën.

Naast de brief van de Stichting van de Arbeid van 9 mei 2008 kan de eerdere correspondentie gedownload worden. Waaronder een brief van de vorige minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, De Geus, van juni 2005 waarin nadere concrete toezeggingen over deze VPL-kwestie zijn gedaan.