Aanvullende conclusies, aanbevelingen en adviezen 35-min

April 2011

Extra inspanningen nodig om positieve trend voort te zetten

Sociale partners hebben de verantwoordelijkheid op zich genomen voor de re-integratie en het behoud voor werk van werknemers die minder dan 35% arbeidsongeschikt zijn verklaard. De Stichting van de Arbeid constateert dat de arbeidsmarktpositie van deze groep verbetert: het per-centage 35-minners dat werkt, neemt toe. De monitor uit 2009 geeft aan dat 62% van de groep 35-min aan het werk is na de WIA-beoordeling. In het eerste onderzoek uit 2007 was dit percentage nog 46%.

De Stichting van de Arbeid vindt deze positieve trend bemoedigend, temeer omdat zij de afgelopen jaren decentrale sociale partners heeft aanbevolen om maatwerk te ontwikkelen om de groep 35-min te behouden voor het arbeidsproces. Niettemin heeft de Stichting Aanvullende conclusies, aanbevelingen en adviezen 35-min uitgebracht omdat zij een verdere vergroting van (duurzame) werkhervatting voor 35-minners zeer belangrijk vindt en het de ambitie van sociale partners is om de positieve trend voort te zetten. Het betreft een aanvulling op de in 2008 door de Stichting uitgebrachte Praktische conclusies en aanbevelingen 35-min, die gebaseerd is op de uitkomsten van twee onderzoeken.

Aanbevelingen aan werkgevers en werknemers en adviezen aan de overheid

Uit het onderzoek Gezondheidsbeleving en werkhervatting 35-minners blijkt dat een deel van de groep 35-minners - namelijk die met een lage opleiding, laag inkomen, relatief veel beperkingen en veelal een slechte gezondheidsbeleving - een kwetsbare uitgangspositie voor werkhervatting heeft. De Stichting is van mening dat deze 35-minners al gedurende de ziekteperiode meer intensieve ondersteuning nodig hebben om het werk te kunnen hervatten.

Werkgevers wordt aanbevolen om meer in te zetten op re-integratie in de eerste twee ziektejaren omdat dit meer kans geeft op succes. Ook wordt aanbevolen om meer gerichte scholing te bieden om de inzetbaarheid van de werknemer binnen of buiten het bedrijf te vergroten. Wanneer ingezet wordt op re-integratie buiten het bedrijf (tweede spoor) wordt aanbevolen om goede randvoorwaarden te regelen. Verder wordt aangeraden om zich goed te laten informeren over welke re-integratievoorzieningen bij het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV) kunnen worden aangevraagd.
Werknemers wordt aanbevolen ook zelf na te denken over ander passend werk binnen het bedrijf dat door hen kan worden verricht en hierover met de werkgever (c.q. de bedrijfsarts) in gesprek te gaan. Indien de ziekte met het eigen werk te maken heeft, is volgens de Stichting oriëntatie op ander werk aan te bevelen. Ook wordt werknemers aangeraden zich goed op de hoogte te stellen van de mogelijkheden die de wet en of hun cao en/of de werkgever biedt om weer tot werkhervatting te komen.
Wederom beveelt de Stichting decentrale cao-partijen aan om, in het licht van de integrale ketenbenadering, cao-afspraken te maken over de re-integratie van 35-minners.
Het kabinet wordt geadviseerd om de inzet van de no-riskpolis uit te breiden door te onderzoeken of het - met name voor 35-minners met een kwetsbare uitgangspositie voor werk - mogelijk is al vóór de WIA-claimbeoordeling de no-riskpolis in te kunnen zetten als re-integratieinstrument. Daarnaast wordt geadviseerd om de no-riskpolis, die thans van toepassing is in geval van re-integratie van een 35-minner bij een andere werkgever in de periode ná de WIAclaimbeoordeling, ook van toepassing te laten zijn op re-integratie bij de eigen werkgever.

Naar aanleiding van het onderzoek Schatting effect aangepaste Schattingsbesluit op aandeel afwijzingen WIA constateert de Stichting van de Arbeid dat het theoretische karakter van het aangepaste Schattingsbesluit ertoe leidt dat vooral werknemers die op het moment van ziekmelding een laag loon en een lage opleiding hebben, met relatief veel beperkingen, toch minder dan 35% arbeidsongeschikt worden verklaard. Zo komen werknemers - wanneer nog benutbare mogelijkheden worden vastgesteld - met een inkomen tot 1,5 keer wettelijk minimumloon (Wml) relatief vaak in de groep 35-min terecht.

De Stichting is van mening dat de verdiencapaciteit zoveel als mogelijk op basis van een realistisch perspectief moet worden vastgesteld en verzoekt het kabinet het schattingsbesluit hierop te bezien. Zij geeft aan het redelijk te vinden als in de schattingssystematiek het uitgangspunt wordt gehanteerd dat iemand geschat wordt op functies die voorkomen in de regio waarin hij woont. Daarnaast wordt aangegeven dat al voor de invoering van de WIA de Stichting heeft gesteld dat de aanpassing van het Schattingsbesluit een wezenlijk effect zou bewerkstelligen vanwege het vergroten van het theoretische karakter van de beoordeling van arbeidsongeschiktheid. Zij doelde onder andere op de wijziging voor de vaststelling van de restverdiencapaciteit toen het minimaal vereiste aantal arbeidsplaatsen in minimaal drie passende functies is verlaagd van 30 (10x 3) naar 9 (3x3).