Jaarverslag 1991

Een Verslag van Werkzaamheden van de Stichting van de Arbeid over het jaar 1991 zoals dat hier voorligt, behoort melding te maken van activiteiten die in dat jaar zijn verricht en gebeurtenissen die hebben plaatsgevonden.
Voor de Stichting is in dat opzicht vermeldenswaard dat in 1991 bepaalde 'traditionele' gebeurtenissen in tegenstelling tot andere jaren juist niet hebben plaatsgevonden. Gedoeld wordt op zowel het gebruikelijke voorjaars- als het najaarsoverleg tussen kabinet en bestuur van de Stichting.

Daaraan mag niet direct de conclusie worden verbonden dat het klimaat tussen sociale partners en overheid een drastische verkilling heeft ondergaan. Men ontkomt anderzijds toch ook niet geheel aan de indruk dat de onderlinge relaties aan enige herwaardering onderhevig zijn.

Leek met het tot stand komen van het Gemeenschappelijk Beleidskader (GBK) eind 1989 een (regeer-)periode ingeluid te worden waarin op basis van onderscheiden verantwoordelijkheden gewerkt zou worden aan het realiseren van gezamenlijk geformuleerde doelstellingen: in feite vormde datzelfde GBK de inleidende oorzaak van de gesignaleerde sociale verkoeling.

De beleidsvoornemens die het kabinet in februari 1991 presenteerde in de zgn. Tussenbalans en waarmee beoogd werd op termijn evenwicht te bewerkstelligen in de financiƫle overheidshuishouding, konden met name in de ogen van werkgevers geen genade vinden en werden in strijd geacht met de in het GBK neergelegde afspraken.
Een en ander bracht de Raad van de Centrale Ondernemingsorganisaties in maart 1991 tot het schrijven van een open brief aan het kabinet, waarin werd aangekondigd dat van werkgeverszijde een 'pas-op-de-plaats' zou worden gemaakt met betrekking tot het overleg op centraal niveau i.e. wat betreft het gebruikelijke voorjaarsoverleg.

Aan werknemerszijde bestond overigens evenmin in alle opzichten enthousiasme over de genoemde beleidsvoornemens in relatie tot het GBK.

Mede op grond van overwegingen als twijfel ten aanzien van de effectiviteit en functionaliteit van een inmiddels breed uitgegroeid voor- en najaarsoverleg heeft het overleg tussen Stichting en kabinet het verslagjaar dan ook veeleer het karakter gehad van werkcontacten op concrete deelterreinen als ziekte en arbeidsongeschiktheid, kinderopvang, pensioenen en minderheden.

Zoals gezegd mag hieraan niet de conclusie worden verbonden dat de verhoudingen een drastische wijziging hebben ondergaan.
Niettemin speelt zowel bij sociale partners als bij de overheid de vraag naar de toekomstige verhoudingen en daarmee naar de toekomstige wijze van functioneren van de 'overleg-economie'.

In dat verband is het opvallend dat het afgelopen jaar de in het vorige Verslag van Werkzaamheden reeds gesignaleerde discussie over de bestaande overlegstructuur en de rol van sociale partners daarin, welhaast permanent in de publieke belangstelling heeft gestaan; deze discussie werd vooral vanuit de politiek is gevoed.
Sociale partners zelf hebben zich tot nu toe in die discussie een relatief bescheiden rol aangemeten, wat niet betekent dat zij hiervoor geen oog zouden hebben en hieraan (intern) geen aandacht besteden.

Nieuwe ontwikkelingen zoals het ontstaan van met de marktsector meer en meer vergelijkbare onderhandelingsposities tussen werkgevers en werknemers in de gepremieerde en gesubsidieerde sector en ook bij de overheid zelf nopen tot een bezinning op de
toekomstige overlegstructuur.

Dat los van die structuur overleg als zodanig van groot belang blijft, moge blijken uit het feit dat werkgevers en werknemers in de Stichting naast het uitbrengen van adviezen over een groot aantal uiteenlopende onderwerpen aan de overheid het afgelopen jaar opnieuw op enkele belangrijke terreinen tot gemeenschappelijke standpunten en opvattingen zijn gekomen.
Soms gebeurt dat niet dan met de nodige moeite zoals bij het tot stand komen van de Stichtingsaanbeveling over het terugdringen van ziekte en arbeidsongeschiktheid eind 1991.

Het tot stand komen van een aanbeveling of gemeenschappelijke verklaring is overigens een ding: de feitelijke implementatie is nog iets anders. Te verwachten valt dat de komende tijd met name dat laatste aspect veel aandacht zal krijgen, omdat het mede bepalend is voor de betekenis van hetgeen in de Stichting gebeurt.


drs. E.H. Broekema
secretaris