Jaarverslag 1992

Een steekproef uit de sociaal-economische berichtgeving in 1992 leert dat 'ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid' trefwoorden zijn die de sociaal-economische discussie gedurende het verslagjaar in belangrijke mate hebben beheerst.

De (dreigende dan wel reeds feitelijke) financiële onbeheersbaarheid van wettelijke en private (aanvullende) regelingen op het terrein van de arbeidsongeschiktheid vormt inmiddels al een groot aantal jaren onderwerp van discussie en zorg.

De noodzaak om het alom erkende hoge gebruik van deze regelingen te beperken staat buiten kijf; de vraag is evenwel op welke wijze dat moet en kan. In dat verband dient de afweging te worden gemaakt of voorkeur gegeven moet worden aan maatregelen die op korte dan wel op langere termijn hun effect doen gevoelen en gaat het bovendien om een afweging tussen belangen van diverse groepen.

Reeds medio 1991 heeft de Sociaal-Economische Raad (SEP) een advies over dit vraagstuk uitgebracht. Sinds het kabinet na het verschijnen van dit advies zijn opvattingen bekend maakte (en na de nodige maatschappelijke commotie weer bijstelde) zijn tal van nieuwe ideeën gelanceerd.
Geconstateerd moet evenwel worden dat de politieke besluitvorming hierover in het verslagjaar niet heeft plaatsgevonden .

Ook in de cao-onderhandelingen voor 1992 heeft het voorkomen en bestrijden van ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid de nodige aandacht gehad als uitvloeisel van een desbetreffend akkoord dat in november 1991 in de Stichting tot stand kwam.
De wijze waarop dit akkoord tot nu toe zijn uitwerking heeft gekregen in de cao's, is vooral van indirecte aard met het accent op een preventieve aanpak. Wel zijn in een aantal cao's afspraken gemaakt om bij onvoldoende resultaat over te gaan op een hardere aanpak.

In de discussie over het terugdringen van de arbeidsongeschiktheid is de inrichting van het sociale-zekerheidsstelsel als zodanig een steeds nadrukkelijker rol gaan spelen. Hoewel hierover door sociale partners reeds in 1988 voorstellen zijn gedaan en het parlement medio 1992 instemde met een 'Nota hoofdlijnen voor een nieuwe uitvoeringsorganisatie sociale verzekeringen', zijn tot nu toe nog geen voorstellen tot wijziging van de Organisatiewet Sociale Verzekeringen ingediend.
Wel heeft de Tweede Kamer inmiddels besloten tot een parlementaire enquête naar de uitvoering van de werknemersverzekeringen; deze moet in 1993 haar beslag krijgen.
De resultaten ervan dienen inzicht te geven in de effectiviteit van de uitvoeringsorganisatie en antwoord op de vraag of sprake is van voldoende helderheid omtrent de onderscheiden verantwoordelijkheden van alle betrokken partijen.

Dat laatste raakt rechtstreeks de structuur en het functioneren van de overlegeconomie in brede zin. Het is dan ook niet ondenkbaar dat de uitkomsten van deze parlementaire enquête, gelet op de relaties tussen sociale zekerheid en arbeidsvoorwaardenvorming en vervolgens arbeidsvoorziening en werkgelegenheid, zullen leiden tot een verdere discussie over de toekomstige inrichting van de Nederlandse overlegeconomie.

Over dat onderwerp heeft de SER zich overigens in 1992 eveneens gebogen in het kader van een adviesaanvrage van het kabinet over de te volgen sociaaleconomisch marsroute in de richting van de Europese Monetaire Unie die medio jaren negentig tot stand zal komen.

In het desbetreffende SER-advies worden vooral de condities geschetst waaraan voldaan moet zijn voor een optimaal functionerende overlegeconomie. Als zwakke punten van de huidige overlegeconomie noemt dit advies 'de soms lage reactiesnelheid en het uitblijven van duidelijke keuzen'.
Het verloop van de besluitvorming rond het WAO-dossier wordt in dat verband als illustratief gezien.

Dat dossier illustreert evenwel tegelijkertijd dat algemeen geformuleerde (en wellicht mede daardoor unaniem onderschreven) uitgangspunten en voorwaarden voor een optimaal functionerende overlegeconomie geen garantie vormen voor het opheffen van die knelpunten.
Immers, van doorslaggevend belang is en blijft dat er steeds (deel)belangen in het spel zijn.

Dat laatste behoeft er nog niet zozeer toe te leiden dat (in termen van het SERadvies) 'de maatschappelijke erkenning van de ernst van de problemen lang -te lang- op zich (zal) laten wachten', maar kan de besluitvorming wel bemoeilijken en vertragen.

Niet onvermeld mag ten slotte blijven dat werkgevers en werknemers in de Stichting medio november 1992 na overleg met het kabinet overeenstemming bereikten over gemeenschappelijke sociaal-economische beleidsoriëntaties voor het jaar 1993.

Zowel het genoemde SER-advies als dit Stichtingsakkoord zijn algemeen aangemerkt als belangrijke resultaten van de overlegeconomie. Hoewel de toekomst zal moeten uitwijzen in hoeverre een dergelijke ex ante kwalificatie ook ex post terecht is geweest, hebben beide feiten zeker een bijdrage geleverd aan het creëren van een klimaat dat nodig is om een gezonde sociale en economische ontwikkeling te bewerkstelligen.


drs. E.H. Broekema
secretaris