Jaarverslag 1993

Het overleg tussen sociale partners in de Stichting van de Arbeid vond in 1993 plaats tegen de achtergrond van een zich verder verslechterende economische situatie met alle gevolgen van dien voor de werkgelegenheid.

Sociale partners op centraal niveau hebben zich dan ook terecht tot taak gesteld te bezien op welke wijze een bijdrage geleverd zou kunnen worden aan een decentraal te voeren arbeidsvoorwaardenbeleid dat op een dergelijke situatie is afgestemd. Gehoopt mag worden dat het ais resultaat daarvan in december 1993 tot stand gekomen centraal akkoord 'Een nieuwe koers', waarin een agenda voor het cao-overleg 1994 is ontvouwd, zijn doorwerking zal hebben naar het decentrale niveau.

Ook op andere beleidsterreinen heeft het overleg in de Stichting zich het afgelopen verslagjaar gericht op ondersteuning van het decentrale niveau bij het in gang zetten van structurele beleidsaanpassingen. In dat verband kan de totstandkoming van de nota 'Werkend ouder worden' worden genoemd, welke nota oproept tot maatregelen ter vergroting van de arbeidsparticipatie van ouderen. Voorts kan worden gewezen op de nota 'Overwegingen en aanbevelingen ter bevordering van deeltijdarbeid en differentiatie in arbeidsduurpatronen'.

Tussen kabinet en sociale partners heeft in het verslagjaar voor het eerst sinds 1991 weerinformeel overleg plaatsgevonden. Opmerkelijk was daarbij overigens dat dat overleg zijn directe aanleiding vond in (het functioneren van) de overlegeconomie zelf.
Aanleiding vormde namelijk een (onverwachte) adviesaanvrage van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid over een wetsvoorstel van de hand van de minister van Justitie met het oogmerk tot een afschaffing te komen van alle wettelijk geregelde adviesverplichtingen.

Mede geïnspireerd door een rapport van een parlementaire commissie (de Commissie De Jong) 'Raad op maat', dat een breed onthaal vond in de Tweede Kamer, beoogde de minister met dit wetsvoorstel tot betere besluitvormingsprocedures op sociaal-economisch terrein te komen.
Ook de adviesfunctie van de Sociaal-Economische Raad (SER) dreigde hiermee substantieel te worden aangetast.

Deze gang van zaken schoot sociale partners in het verkeerde keelgat, te meer waar het kabinet tot dan toe nog steeds geen formele reactie had gegeven op een SER-advies van eind 1992, waarin sociale partners hun visie hadden gegeven op het toekomstig functioneren van de overlegeconomie.

Een brandbrief aan het kabinet met het verzoek op korte termijn tot een gedachtenwisseling te komen leidde tot het gewenste overleg op 18 juni.

Daarin kwamen kabinet en Stichting tot de gezamenlijke opvatting dat de adviesfunctie van de SER wat betreft de hoofdlijnen van het sociaal-economische beleid gehandhaafd zou moeten blijven.

Dat besluitvormingsprocessen ook aan overheidszijde overigens niet altijd even snel en efficiënt verlopen, moge blijken uit het feit dat na de gevraagde snelle advisering door zowel Stichting als SER medio juni, het desbetreffende wetsvoorstel tot op heden (februari 1994) nog ter advisering ligt bij de Raad van State.

Tijdens het overleg op 18 juni hebben alle betrokkenen voorts de intentie uitgesproken om driemaal per jaar tot een informele gedachtenwisseling te komen over de actuele sociaal-economische situatie.
In hoeverre dit voornemen ook in de praktijk zijn weerslag zal vinden is nog de vraag, Vooralsnog valt, zeker met het verkiezingsjaar 1994 in het vooruitzicht, te verwachten dat een dergelijke frequentie wat al te ambitieus is. Dat behoeft overigens geen ramp te zijn omdat een 'discussie-om-de-discussie' in het algemeen weinig vruchtbaar is.

Geconstateerd kan worden dat wat in de (formele) overlegeconomie gebeurt, meer en meer wordt voorafgegaan door iets wat zich afspeelt in de (informele) Mobby-economie'. Dat kan een positieve uitwerking hebben wanneer het er bijvoorbeeld om gaat af te tasten of te maken beleidskeuzen in beginsel door de diverse betrokkenen worden gedragen. Het vergt wel van alle partijen een behoedzaam opereren en bovenal zodanige onderlinge verhoudingen dat een dergelijk opereren wederzijds wordt geaccepteerd.

In het verslagjaar hebben zich voorts zowel aan werkgevers- als aan werknemerszijde nieuwe gegadigden gemeld als deelnemers aan de overlegeconomie i.e. als potentiële leden van de SER. Een en ander illustreert in ieder geval dat er sprake is van een dynamiek in de arbeidsverhoudingen c.q. in de overlegeconomie, die ongetwijfeld mede haar oorzaak vindt in niet alleen een zich geleidelijk wijzigende structuur van de economische activiteiten, maar ook in een maatschappelijke ontwikkeling die gekenmerkt wordt door een proces van onder meer individualisering.
De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft in dat verband te kennen gegeven in beginsel positief te staan tegenover deelname van een nieuwe organisatie van werknemers en heeft daarover inmiddels ook advies gevraagd aan de SER.


drs. E.H. Broekema
secretaris