Jaarverslag 1995

Op 17 mei 1995 was het vijftig jaar geleden dat de Stichting van de Arbeid ten doop werd gehouden. Aan deze gebeurtenis tijdens het verslagjaar is aandacht besteed in de vorm van een Bijzondere zitting van het bestuur op diezelfde datum, in aanwezigheid van Hare Majesteit Koningin Beatrix en Zijne Koninklijke Hoogheid prins Claus der Nederlanden.

De boreling van toen heeft thans de leeftijd bereikt waarop (naar de schrijver Marsman destijds althans aan een van zijn vrienden Net weten) men moet trachten 'langzaam te leren dat het goed is als de bladeren vallen'.
Maar tijden veranderen, want de ietwat berustende houding die in dat advies besloten lag, spreekt vandaag de dag velen die zich in deze levensfase bevinden, nog niet aan.

Hoe staat het in dat opzicht met de Stichting als overleg- en adviesorgaan op centraal niveau, opererend in een omgeving die de afgelopen decennia de nodige veranderingen heeft ondergaan onder invloed van processen van (economische) internationalisering en mondialisering en (sociaal-maatschappelijke) democratisering en individualisering? Kan de Stichting nog een zinvolle functie blijven uitoefenen waar sprake is van een structurele verandering in zowel de 'verticale' relatie tussen de centrale organisaties van werkgevers en van werknemers met hun leden op decentraal niveau als in de 'horizontale' relatie met de overheid?

De Stichting heeft tijdens haar bestaan al de nodige stormen doorstaan, merkwaardigerwijs veelal op momenten waarop er iets 'te gedenken' viel. Het vijftigjarig bestaan vormde daarop geen uitzondering.
In de periode voorafgaande aan de 17e mei werden van verschillende kanten geluiden geventileerd, waarin de wenselijkheid doorklonk om in het perspectief van het komend jubileum de positie en rol van de Stichting onderwerp van een nadere herbezinning te doen zijn.

Een dergelijke periodieke reflectie op het eigen functioneren is in feite voor elke organisatie een vereiste: het eigen (toekomstige) bestaansrecht kan immers niet worden beargumenteerd met wapenfeiten uit het verleden.
Voor de Stichting geldt dat eens te meer waar - zoals in eerdere verslagen al gesignaleerd werd - een publieke discussie gaande is over de gewenste adviezen overlegfunctie van instellingen als onder andere de Stichting.

In deze context werd tijdens de Bijzondere bestuurszitting door beide voorzitters van de Stichting de suggestie gedaan om over de toekomstige positie van de Stichting intern eens verder van gedachten te wisselen.

Een ad-hoc werkgroep die daartoe vervolgens is ingesteld, heeft eind 1995 een nota uitgebracht over de toekomstige organisatie en werkwijze van de Stichting. In de voorstellen van deze werkgroep weerspiegelen zich de trends zoals die zich in onze samenleving aftekenen: het streven naar een flexibele werkorganisatie op basis van een efficiënte en overzichtelijke structuur.

Het bestuur van de Stichting heeft inmiddels ingestemd met deze voorstellen, die daarna hun beslag hebben gekregen in een wijziging van de statuten en het huishoudelijk reglement.
Met die wijzigingen wordt enerzijds ingespeeld op de veranderde relatie tussen het centrale en decentrale niveau met als inzet dat de Stichting een minder 'dirigerende' maar meer 'signalerende' en 'coördinerende' (mogelijk soms ook 'grensverleggende') rol zou moeten vervullen; anderzijds wordt rekening gehouden met de gewijzigde relatie ten opzichte van de overheid gelet op de (inmiddels van kracht geworden) wetgeving ter afschaffing van alle wettelijke adviesverplichtingen.

Aan dat laatste zou mogelijk de conclusie verbonden kunnen worden dat de Stichting zelf (lees: partijen die in de Stichting vertegenwoordigd zijn) in de toekomst in (nog) sterkere mate dan thans de eigen agenda bepaalt.
Gelet op het proces van decentralisatie en verlegging van verantwoordelijkheden zou dit kunnen betekenen dat er op die agenda tussen 'Opening' en 'Sluiting' slechts een schamel aantal overige agendapunten een plaats krijgt.
Denkbaar is echter evenzeer dat deze processen op enig moment juist de behoefte zullen oproepen aan enige aansturing of richtinggeving vanuit centraal niveau.
Wie in dat verband de praktijk van het afgelopen jaar beziet, zal overigens moeten concluderen dat het voorspellen van die agenda een hachelijke zaak is en dat zich daarin binnen korte tijd substantiële wijzigingen kunnen voordoen.

In zijn toespraak tijdens de jubileumzitting onder de titel: 'Einde van een tijdperk?', benadrukte werkgeversvoorzitter, de heer Rinnooy Kan, het belang van de Stichting als formeel en informeel overlegorgaan voor de centrale organisaties ten behoeve van gemeenschappelijke beleidsanalyses en de betekenis daarvan voor de maatschappelijke cohesie.
De heer Stekelenburg zag als werknemersvoorzitter de uitdagingen voor de Stichting gelegen in het begeleiden van het proces naar meer resp. andere vormen van medezeggenschap waar gemotiveerde en zelfstandige werknemers om vragen, in de bevordering van de inburgering van 'nieuwe Nederlanders', in de vertaling van Europese regelgeving voor de Nederlandse samenleving en in aandacht voor het milieu: de Stichting als 'bevorderaar van consensus en commitment'.

In dat licht is er voor de Stichting nog volop werk aan de winkel en zal het de nieuwe Agendacommissie (als opvolger van de Looncommissie, die als gevolg van de statutenwijziging zal verdwijnen) niet moeilijk vallen haar vergaderingen te vullen.


drs E.H. Broekema
secretaris