Jaarverslag 1996

In het verslag van werkzaamheden over het jaar 1995 (het jaar waarin de Stichting van de Arbeid 50 jaar bestond) werden enkele voorzichtige bespiegelingen gewijd aan de toekomstige betekenis en functie van de Stichting als overleg- en adviesorgaan in een veranderende sociale, economische en politiek-maatschappelijke omgeving.
Aanleiding daartoe vormde mede de in de voorafgaande jaren vanuit de politiek gegroeide en tamelijk breed gedeelde kritiek op de invloed van sociale partners op de sociaal-economische besluitvorming.

Die kritische opstelling leidde ertoe dat in de loop van 1995 ingrijpende parlementaire besluitvorming plaatsvond rond de wettelijke regelgeving met betrekking tot de bestaande adviesstructuur en -organen. Als gevolg daarvan is inmiddels een groot aantal adviesinstanties opgeheven.

Des te opmerkelijker is het te constateren dat zich in de loop van 1996 een kentering in de opinievorming heeft voorgedaan; er is sprake geweest van een herwaardering van wat nog steeds geduid wordt als de 'overleg-economie'.
Sterker nog, vanuit het buitenland ontstond een welhaast verlegen makende interesse voor de werking van het Nederlandse 'systeem', mede gelet op de gunstige economische resultaten in vergelijking met de ons omringende (en verder gelegen!) landen.

Ongetwijfeld heeft het uitvoerige en unanieme advies over de (wettelijke) regeling van (nieuwe vormen van) arbeidsrelaties van april 1996 mede bijgedragen aan de binnenlandse politieke herwaardering. Dat advies maakte te meer indruk omdat het kabinet geen kans had gezien het over deze problematiek intern eens te worden en vervolgens de Stichting advies had gevraagd.
Maar, zoals gezegd, ook de economische (in termen van groei en werkgelegenheid) en sociale (in termen van arbeidsrust) ontwikkelingen waren van dien aard dat ons land zich in gunstige zin onderscheidde van andere Europese landen.

Onder dergelijke omstandigheden ligt het voor de hand dat de nodige beschouwingen (ook in het buitenland) worden gewijd aan 'le miracle Hollandais' en dat wordt gezocht naar verklaringen voor dat succes om wellicht het Nederlandse systeem of onderdelen daarvan voor eigen gebruik te kopiëren.

Beschikt Nederland inderdaad over een ideaal-model en hoe kan dat model dan het beste worden gekarakteriseerd? De inmiddels voor binnenlands gebruik veel gehanteerde kwalificatie 'polder-model' getuigt weliswaar van een ietwat relativerende kijk op de zaak maar de typering door de minister van Economische Zaken als het Delta-model (ofwel: h -model) lijkt een meer rake. Het A-teken staat in de economie immers niet alleen bekend als een symbool voor 'groei', maar weerspiegelt tegelijkertijd de institutionele (driehoeks)relatie tussen overheid, werkgevers en werknemers als actoren in de overleg-economie en (zou men kunnen stellen) ook de beleidsterreinen waarop die relatie in onderlinge wisselwerking haar vruchtbare invloed moot doen gelden: het economische, het sociale en het financieel-monetaire.

Maar het creëren van een dergelijk model betekent nog niet dat het in de praktijk ook effectief werkt. Anders gezegd, bij transplantatie van zo'n model naar een andere omgeving is succes niet bij voorbaat verzekerd.

Allereerst dient bedacht te worden dat het Nederlandse overlegmodel inmiddels een traditie van vele tientallen jaren kent waarin het zich heeft ontwikkeld en aangepast. Niet voor niets wordt gesproken van een 'overleg-cultuur' en het bestaan van een cultuur vooronderstelt een langdurig voorafgaand groeiproces.
Zo'n cultuur kan bovendien slechts gedijen wanneer die haar bedding vindt in een onder alle actoren levend besef dat elk van de daarbij betrokkenen regelmatig 'aan zijn trekken moet komen' en op langere termijn gebaat is bij de uitkomsten van het overlegproces. Er dient derhalve sprake te zijn van een win-win-situatie voor alle betrokkenen.

Maar ook dan is succes niet zonder meer verzekerd.
Eén van de belangrijkste voorwaarden voor succes is of de actoren die op enig moment op diverse niveaus in politieke en maatschappelijke instituties functioneren, als 'de juiste man/vrouw op de juiste plaats' kunnen worden gezien en of de onderlinge relaties tussen die actoren als optimaal kunnen worden beschouwd.

In dat licht is het niet ondenkbaar dat het recente succes van het Nederlandse model mede te danken is aan het feit dat aan die laatste voorwaarde is/was voldaan. Het op enig moment bestaan van een dergelijke situatie lijkt evenwel eerder de uitkomst van een door omstandigheden bepaald toeval dan van een bewust beleid.

Dat impliceert tegelijkertijd dat zo'n situatie per definitie ook van slechts tijdelijke aard is. In dat opzicht valt dan ook te verwachten dat het huidige succes van het Deltamodel op enig moment weer (tijdelijk) zal tanen.
Dat zou zich bijvoorbeeld kunnen voordoen indien zich door omstandigheden (fusies tussen organisaties, vertrek van sleutelfiguren, wisselingen van de wacht als uitvloeisel van verkiezingen) een substantiële wijziging zou voordoen in de functiebezetting binnen de 'institutionele infrastructuur', met als resultante minder goede verhoudingen tussen actoren. Overigens is in het algemeen zonder al te veel risico te voorspellen dat successen (zoals bijv. op voetbalgebied van Ajax) niet permanent kunnen voortduren, maar afgewisseld worden door perioden met minder gunstige resultaten. Ook de werking van 'modellen' is onderhevig aan conjunctuur-cycli.
Troost is dan wel dat verwacht mag worden dat op enig moment de uitkomsten van het (dan mogelijk aan opgetreden veranderingen aangepaste) model zich weer ten goede zullen keren.


drs E.H. Broekema
secretaris