Jaarverslag 1999

Verslag van werkzaamheden 1999
juni 2000 – publicatienr. 9/00

Als ‘De Moeder van alle adviezen’ en daarmee als het meest belangwekkende advies voor de toekomstige vormgeving en revitalisering van de overlegeconomie werd het geduid: het SER-advies ‘Convergentie en Overlegeconomie’ van 20 november 1992. Daarin werd onder meer ingegaan op de rol en functie i.c. de verantwoordelijkheidsverdeling tussen enerzijds werkgevers en werknemers en anderzijds de overheid op het terrein van met name de arbeidsvoorwaardenvorming, de sociale zekerheid en het arbeidsmarktbeleid.

Echter, niet altijd blijken op voorhand als zodanig gekwalificeerde adviezen ook de toebedachte rol te vervullen in het feitelijke verloop van de geschiedenis. Wie anno 2000 d.w.z. 8 jaar na dato, het advies er nog eens op naleest en positioneert in het perspectief van de discussie en besluitvorming op hoofdlijnen zoals die de afgelopen periode heeft plaatsgevonden over de toekomstige uitvoeringsstructuur van de sociale zekerheid en arbeidsvoorziening (waarop in dit verslag uitvoerig wordt ingegaan) zal zich dat zeker realiseren.

Hoewel het advies destijds ongetwijfeld zijn doorwerking heeft gehad in het beleid van sociale partners zelf (men denke bijv. aan het tot stand komen van ‘Een Nieuwe Koers’ in 1993), zijn de ideeën en voorstellen uit het advies met betrekking tot de gewenste verantwoordelijkheidsverdeling op genoemde terreinen naar de achtergrond verdwenen en daarmee ook de rol van sociale partners op het gebied van de uitvoering van de werknemersverzekeringen en het arbeidsmarktbeleid.

De discussies daarover tussen sociale partners in de Stichting van de Arbeid en de overheid en in het bijzonder met de minister en de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, zijn het afgelopen verslagjaar niet alleen intensief gevoerd maar hebben ook spanningen opgeroepen die op enig moment zelfs tot een afbreken van het overleg hebben geleid.

De inmiddels door de politiek op hoofdlijnen gesanctioneerde kabinetsvoorstellen terzake beogen de uitvoering van de sociale zekerheid in handen te leggen van een publieke moloch met uitzondering van de reïntegratie-activiteiten welke zullen worden geprivatiseerd.
Dat is iets anders dan de SER in 1992 voor ogen stond toen die ten aanzien van de werknemersverzekeringen nadrukkelijk koos ‘ … voor handhaving van een decentrale, bedrijfstakgewijze uitvoering door autonome organen van het georganiseerde bedrijfsleven, uitgaande van een primaire verantwoordelijkheid van de overheid voor de wetgeving op hoofdlijnen’(en een daarbij behorend onafhankelijk toezicht).

Wat sociale partners op deze beleidsterreinen rest (d.w.z. afgezien van hun niet ter discussie staande primaire verantwoordelijkheid op het gebied van de decentrale arbeidsvoorwaardenvorming) is advisering op het terrein van ‘werk en inkomen’ via een in te stellen Raad voor Werk en Inkomen waarin zij tezamen met vertegenwoordigers van gemeenten zitting krijgen.

Die functie kan van groot belang zijn maar dat is wel afhankelijk van de status c.q. bevoegdheden die een dergelijke raad verkrijgt. In dat opzicht is de beer echter ook nog niet geschoten!

Politiek gezien, lijkt de RWI er kennelijk nog niet zo maar te zijn resp. te komen om nog maar niet te spreken over de vraag of sociale partners uiteindelijk zelf de bevoegdheden die aan de raad worden toegekend, van voldoende gewicht achten om zich daarvoor in te zetten.

Mocht dat onverhoopt niet het geval zijn, dan is er echt aanleiding om de toekomst van het poldermodel serieus onder ogen te zien.