Jaarverslag 2004

Verslag van werkzaamheden 2004 
Augustus – publicatienr. 6/05

‘Op dit moment lijkt er een patstelling te bestaan vanwege een vertrouwenscrisis tussen de diverse actoren die de laatste jaren geleidelijk is ontstaan.’

Deze passage uit het Verslag van werkzaamheden 2003 typeert de situatie zoals die ook voor een groot deel van het jaar 2004 heeft gegolden. Vooral gedurende het eerste halfjaar is zelfs sprake geweest van voortdurend verslechterende verhoudingen tussen de desbetreffende actoren: kabinet en sociale partners.
Dat culmineerde op 18 mei 2004 in een mislukt Voorjaarsoverleg waarvan de inzet was geweest om overeenstemming te bereiken over een structurele herziening van het WAO-stelsel en van de VUT- en prepensioenregelingen in samenhang met de invoering van een levensloopregeling. Onenigheid dus over de te kiezen intensiteit en (fiscale) modaliteiten van deze instrumenten waarmee overigens wel doelstellingen zouden moeten worden gerealiseerd die gezamenlijk als nastrevenswaardig zijn erkend.

De belangrijkste van die doelstellingen waren een verhoging van de arbeidsparticipatie teneinde de kosten van de komende vergrijzing op te vangen (via o.a. een beperking van de mogelijkheden tot eerdere uittreding via VUT en prepensioen) en, daarnaast, herstel van de internationale concurrentiepositie ten behoeve van economische groei (via kostenbeperking c.q. productiviteitsvergroting).

Zoals gezegd: de relevantie van die doelstellingen als zodanig wordt door niemand betwist. Toch rijzen enkele vragen als het gaat om bijvoorbeeld de voorwaarden waaronder deze gelijktijdig gerealiseerd kunnen worden, over de precieze betekenis van bijvoorbeeld arbeidsparticipatie en over de onderlinge relatie tussen beide doelstellingen.

Zo is voor een verhoging van de arbeidsparticipatie niet alleen (bereidheid tot) het doorwerken op latere leeftijd nodig, maar ook een effectieve vraag om het grotere arbeidsaanbod op de arbeidsmarkt te absorberen (lees: economische groei). En wanneer is nu precies sprake van een ‘hogere arbeidsparticipatie’? Buiten kijf staat dat dat het geval is indien bijvoorbeeld de gemiddelde toetredingsleeftijd tot de arbeidsmarkt ongewijzigd blijft en de gemiddelde uittredingsleeftijd met 1 jaar stijgt. Maar kan die conclusie ook getrokken worden indien - onder dezelfde veronderstellingen van een gelijkblijvende toetredingsleeftijd en een 1 jaar hogere uittredingsleeftijd - gemiddeld 1 jaar extra verlof wordt opgenomen, verspreid over de gehele economisch actieve periode van mensen (bijvoorbeeld als gevolg van de introductie van een levensloopregeling)? Conform de huidige (statische) definitie van arbeidsparticipatie is dat wel het geval, maar vanuit een meer dynamische benadering is er dan van een hogere arbeidsparticipatie niet echt sprake.

Van belang is ook hoe beide doelstellingen zich tot elkaar verhouden. Eerder al is daarover geconstateerd dat er tussen beide juist een zekere spanning kan bestaan, in die zin dat vergroting van de arbeidsparticipatie ceteris paribus tot een lagere arbeidsproductiviteit kan leiden. In het algemeen zal economische groei gepaard gaan met een verhoging van de arbeidsparticipatie. Om tegelijkertijd een verhoging van de productiviteit te bewerkstelligen, is evenwel een verbetering van de kwaliteit van de BV Nederland in termen van zowel de kwaliteit van arbeid als die van kapitaal noodzakelijk.

Wat de (gemiddelde) kwaliteit van de arbeid betreft zijn de vooruitzichten niet al te rooskleurig te noemen. Het valt te voorzien dat de uitstroom van hoger opgeleiden de komende tijd relatief zal toenemen vanwege de vergrijzing; de kwaliteit van de instroom daarentegen zal (als gevolg van het aantal voortijdig schoolverlaters en vanwege het relatief grote aandeel van allochtone werknemers met een gemiddeld lagere opleiding) naar het zich laat aanzien achterblijven Per saldo leidt dat tot een daling van de kwaliteit van de beroepsbevolking terwijl er juist een toenemende behoefte is aan hoger opgeleiden.

Wat de kwaliteit van het productieapparaat betreft: ook hier is een kwaliteitsslag vereist in de zin van een permanente technologische innovatie om mee te kunnen komen in de internationale concurrentie. Maar ook hier geldt dat we de Lissabon-doelstellingen nog niet echt in zicht hebben.

Om op langere termijn beide doelstellingen op bevredigende wijze te kunnen realiseren is dan ook een kwaliteitsstrategie nodig, via kwaliteitsverbetering van de arbeid door scholing, opleiding - en daarmee vergroting van de employability van mensen - in combinatie met een economische groei genererende innovatie van productieprocessen en -technologieën. Er valt nog een lange weg te gaan alvorens vastgesteld kan worden dat de Lissabon-doelstellingen zijn gerealiseerd.

drs. E.H. Broekema
secretaris