Geschiedenis van de Stichting van de Arbeid


De Stichting van de Arbeid is op 17 mei 1945 opgericht, vrijwel direct na de bevrijding. Binnen de stichting werken werkgeversorganisaties en organisaties van werknemers samen.

Al tijdens de oorlog werd nut en noodzaak van een dergelijk overlegorgaan besproken. Werknemers en werkgevers deelden de overtuiging dat zij na de bevrijding gezamenlijk moesten werken aan de wederopbouw van Nederland. Ze wilden medeverantwoordelijk zijn. Om die reden heeft de overheid de Stichting van de Arbeid al snel na de oprichting erkend als officieel adviesorgaan op sociaaleconomisch terrein.


Stichting blijft overlegplatform
In de eerste jaren na 1945 nam de Stichting een centrale plaats in bij de voorbereiding en vorming van het regeringsbeleid op sociaaleconomisch terrein. In 1950 werd - op advies van de Stichting - de Sociaal-Economische Raad (SER) ingesteld als adviesorgaan van de regering op sociaaleconomisch terrein en nam daardoor belangrijke adviestaken van de Stichting over. De Stichting werd echter niet opgeheven en bleef fungeren als platform voor overleg tussen werkgevers en werknemers over actuele kwesties in het bedrijfsleven. Dat betrof de eerste decennia vooral advisering aan de looncommissarissen van het kabinet over de arbeidsvoorwaarden in de bedrijfstakken en de arbeidsverhoudingen.

Tijdens de eerste twintig jaar na de oprichting was in Nederland sprake van een centraal geleide loonpolitiek. De overheid stelde jaarlijks een (uniform) percentage vast met betrekking tot de toegestane loonstijging. Dit percentage was mede gebaseerd op de adviezen van eerst de Stichting en later de SER.
Loonpolitiek verandert
Eind jaren zestig werd de roep om de centrale loonpolitiek te verlaten steeds luider. Geleidelijk aan verschoven de loonpolitieke verantwoordelijkheden van de overheid naar de sociale partners. Tegelijkertijd was er echter nog steeds regelmatig sprake van overheidsingrijpen in de loonontwikkeling. Bijvoorbeeld in reactie op de oliecrisis in 1973 en de economische crisis eind jaren 70, begin jaren 80.

Deze herhaalde ingrepen waren voor werkgevers en werknemers in de Stichting aanleiding om zoveel mogelijk de verantwoordelijkheid voor de arbeidsvoorwaardenvorming zelf op zich te nemen. Zij gingen aan de slag met de vraag wat het wenselijke verloop van de cao-onderhandelingen in bedrijfstakken en ondernemingen moest zijn.
1982: Akkoord van Wassenaar

De omslag om als centrale sociale partners zelf aan het roer te staan, werd mede ingegeven door de economische situatie begin jaren tachtig. Er was sprake van een ongekende omvang van de werkloosheid, een geringe rendabiliteit van het bedrijfsleven en een vertraging in de economische groei.

Aanvankelijk lukte het niet om binnen de Stichting een antwoord te vinden op deze economische crisis. In 1982 leidden de onderhandelingen in de Stichting van de Arbeid tot de totstandkoming van het zogeheten Akkoord van Wassenaar. Dit akkoord bevatte de aanbeveling aan werkgevers en werknemers om een politiek van gematigde loonstijging te voeren. Het doel was de winstgevendheid van het bedrijfsleven te verbeteren en de werkgelegenheid op peil te houden met arbeidsduurverkorting. Daarmee verschoof de verantwoordelijkheid voor de loonpolitiek van de overheid naar werkgevers en werknemers gezamenlijk.

Lees het Akkoord van Wassenaar.

Steeds meer decentralisatie
Aan deze nieuwe verantwoordelijkheid werd vorm gegeven door het vaststellen van een algemeen beleidskader ten behoeve van de collectieve onderhandelingen op decentraal niveau. Dit voortschrijdend proces van decentralisatie werd in 1993 bevestigd met een nieuw akkoord onder de titel Een Nieuwe Koers.

Een Nieuwe Koers was de uitkomst van het beraad binnen de Stichting over de gevolgen van de decentralisatie en flexibilisering van de arbeidsmarkt voor het proces van onderhandelen over lonen en andere arbeidsvoorwaarden. Niet alleen voor collectiviteiten van werknemers maar ook voor werknemers individueel.
Agenda 2002
De economische situatie verbeterde ondertussen snel. Eind 1997 kwam vervolg op dit akkoord tot stand: Agenda 2002. De ingezette lijn van decentralisatie werd verder doorgetrokken. Ook kwamen de inmiddels gewijzigde maatschappelijke ontwikkelingen op de cao-tafel ter sprake. Deze Agenda bevatte aanbevelingen om cao-afspraken te maken over trends als flexibiliteit, de combinatie arbeid en zorg, nieuwe arbeidsverhoudingen in de onderneming en employability.

Al vrij snel na de start van deze eeuw verslechterde de economie in een hoog tempo. Dat ging gepaard met een plotse en complete omslag in de politieke verhoudingen. Bovendien wijzigde de politiek de sociale zekerheid, deze moest een activerend karakter krijgen.
2004: Najaarsakkoord
Dat alles had zijn weerslag op de verhoudingen tussen sociale partners onderling en die tussen regering en vakbeweging. Herfst 2004 culmineerde het vakbondsprotest tegen het overheidsbeleid in de grootste demonstratie tot nu toe op het Museumplein te Amsterdam.
Het Najaarsakkoord tussen kabinet en Stichting van de Arbeid normaliseerde de verhoudingen. Er werd overeenstemming bereikt over twee belangrijke dossiers, de hervorming van de WAO en het wettelijk kader voor (vroeg)pensioen en levensloop (VPL).

Dit protest betekende tegelijkertijd ook de start van een nieuwe gezamenlijke agenda van sociale partners binnen de Stichting. De zogeheten Werktop van december 2005 bracht dit nieuw elan tot uiting. Tijdens de Werktop werden tussen de Stichting en het kabinet afspraken gemaakt om diegenen die nog aan de kant stonden, vooral de jongeren, weer aan de slag te helpen. Het vervolg hierop is de Participatietop van 27 juni 2007.
2008: economische crisis
Eind 2008 brak opnieuw een economische crisis uit die dit keer jarenlang zou aanhouden. Aanvankelijk leek de crisis qua ontslagen werknemers nog mee te vallen. Veel bedrijven hielden hun personeel de eerste jaren in dienst in de hoop dat de crisis snel voorbij zou zijn. Hieraan heeft meegewerkt dat tijdelijk de deeltijd-WW op verzoek van de Stichting is ingevoerd.

Midden in de crisisjaren zijn 2010/2011 zijn twee belangrijke pensioenakkoorden gesloten. Voor het eerst sinds de AOW is ingevoerd, zou de pensioengerechtigde leeftijd gaan stijgen. Door verzet in de vakbeweging zijn de akkoorden echter niet tot hun recht gekomen en zou het tot voorjaar 2019 duren voordat de pensioenkwestie in de SER werd opgelost.
2013: Sociaal Akkoord
Vanaf 2012 steeg het aantal faillissementen. De werkloosheid nam sterk toe. Gevolg hiervan was dat werkgevers en vakbonden zochten naar wegen om het tij te keren. Was het aanvankelijk de jeugdwerkloosheid die tot veel zorg leidde, op termijn was de aandacht vooral gericht op de arbeidsmarktpositie van de oudere werknemers. In samenwerking met het pas aangetreden kabinet Rutte II werd op een speciale locatie - het ROC Mondriaan in Den Haag - het Sociaal Akkoord op 11 april 2013 gesloten. Dit akkoord betekende onder andere een ingrijpende verandering van de ontslagwetgeving en een uitweg voor de aangekondigde verkorting van de wettelijke WW door het derde WW-jaar privaat te verzekeren. Ook moest dit akkoord leiden tot minder flexbanen, maar dat is niet gebeurd.

De groeiende werkloosheid leidde tot meerdere arbeidsmarktplannen. Een van de afspraken in het Sociaal Akkoord betrof de afspraak om via zogeheten sectorplannen het vakmanschap te behouden in de sectoren om na afloop van de crisis niet onmiddellijk een groot tekort aan geschoolde werknemers te hebben. Een ander project - DWSRA geheten - moest ervoor zorgen dat uitgeprobeerd zou worden hoe de WW-periode zo kort mogelijk gehouden kon worden. De evaluatie van deze beide projecten moet uitwijzen of dit ook werkwijzen zijn voor de toekomst.
75 jaar Stichting van de Arbeid
Op 17 mei 2020 bestaat de Stichting van de Arbeid 75 jaar. Dan kan er worden stilgestaan bij wat de jongste politieke, economische en maatschappelijke ontwikkelingen betekenen voor het overleg tussen werkgevers en werknemer. Het gaat om zaken als de opkomst van de zzp’er, de globalisering van het bedrijfsleven, de groei van het aantal flexcontracten, de platformeconomie, de toenemende invloed van de Europese Unie op de Nederlandse arbeidswetgeving maar ook de gewijzigde verhoudingen in de parlementaire politiek of de invloed van social media op het overleg tussen werkgevers en werknemers en Stichting van de Arbeid en kabinet.
Voorzitters 1945 - heden
Werkgevers   Werknemers
mr. D.U. Stikker
mei 1945
  W. Kupers
mei 1945
ir. H.M. Damme
september 1948
  H. Oosterhuis
januari 1950
mr. F.H.A. de Graaff
januari 1950
  C.W. van Wingerden
januari 1957
ir. W.H. Kruijff
november 1960
  drs. D. Roemers
oktober 1959
ir. B. Bölger
mei 1963
  A.H. Kloos
november 1965
r. J. Bosma
maart 1964
  drs. H. ter Heide
september 1971
W. Bruynzeel
november 1969
  A. de Boon
oktober 1972
drs. S.C. Bakkenist
september 1970
  W. Kok
augustus 1973
dr. J. Bartels
augustus 1973
  H.A.P.M. Pont
november 1985
mr. C. van Veen
maart 1974
  J. Stekelenburg
mei 1988
mr. C.J.A. van Lede
november 1984
  L.J. de Waal
juni 1997
dr. A.H.G. Rinnooy Kan
april 1991
  drs. A.M. Jongerius
mei 2005
drs. J. Blankert
juli 1997
  A.J.M. Heerts
juni 2012
mr. J.H. Schraven
november 1999
  drs. G.J. van Dijk
juli 2016
mr. B.E.M. Wientjes
juni 2005
  H.H. Busker
maart 2017
drs. J. de Boer
juli 2014
     
M.A. van Straalen
november 2015
     
drs. J. de Boer
februari 2018
     
Meer lezen
  • ‘Aan den Arbeid’ In de wandelgangen van de Stichting van de Arbeid 1945-1995, M. van Bottenburg, Amsterdam 1995
  • Voorbij Wassenaar: de Stichting van de Arbeid, 1982-2005, J. Bruggeman, P. van der Houwen, Den Haag 2005
  • Samen doen wat mogelijk is, 65 jaar Stichting van de Arbeid, C. Lambregtse, B. Bijma, D. van Kesteren, Den Haag 2010