Vergadering van de Stichting van de Arbeid op 26 mei 1968.

75 jaar Stichting van de Arbeid

Vergadering van de Stichting van de Arbeid op 26 mei 1968.
Op 17 mei 2020 bestaat de Stichting van de Arbeid 75 jaar. Vrijwel meteen na afloop van de Tweede Wereldoorlog is de Stichting van de Arbeid opgericht.

Werkgevers en werknemers gingen gezamenlijk aan de slag om direct na de oorlog te werken aan de wederopbouw van Nederland. In aanloop naar de jubileumviering besteden we aandacht aan de rol en het belang van de Stichting gedurende deze 75 jaar. Wilt u hier meer over lezen, klik dan op onderstaande balk. De komende maanden wordt in acht delen teruggeblikt.

Wilt u meer lezen over de afgelopen 75 jaar van de Stichting van de Arbeid? In mei 2020 verschijnt het jubileumboek. 

 

Profiteren van de welvaart : De jaren zestig, tijd voor verandering

Begin jaren zestig is de vraag naar arbeidskrachten in Nederland drie keer zo groot als het aanbod. In 1962 loopt de werkloosheid zelfs terug tot onder een procent. Door de groeiende economische welvaart en het progressieve belastingstelsel kan nieuwe sociale wetgeving gefinancierd worden. Zo komt er wetgeving die bijstand regelt voor de minvermogenden.

Tegelijkertijd zorgt de snel toenemende krapte op de arbeidsmarkt ervoor dat meer en meer werknemers een deel van hun loon zwart krijgen uitbetaald. Wat de regering niet wil toestaan, gebeurt onderhands, werkgevers hebben nu eenmaal personeel nodig. Dat heeft onder andere als consequentie dat de belasting hier niet van profiteert maar ook dat pensioenuitkeringen en de WW onvoldoende meegroeien. Bovendien wordt de roep van werknemers om zelf ook van de welvaart te kunnen profiteren steeds luider en groter.

Tegen deze achtergrond wordt vanaf eind jaren vijftig de 48-urige werkweek afgebouwd. Binnen een paar jaar gaan veel cao’s over op een 45-urige werkweek. In 1970 worden in de Stichting van de Arbeid de afspraken over de 40-urige werkweek gemaakt. Daarmee is de vrije zaterdag voor veel werkenden een feit.

Om meer werknemers van de groeiende welvaart te laten profiteren, komt de Stichting met het College van Rijksbemiddelaars in 1962 tot een akkoord over de loonpolitiek, het Akkoord van Oud-Wassenaar. Per bedrijfstak wordt een maximaal toelaatbare loonstijging berekend. Om tot dit akkoord te komen, treffen sociale partners elkaar buiten het gebouw van de Stichting, zoals in hotel Witteburg en kasteel Oud-Wassenaar. Wassenaar wordt een bekende naam en zal in de toekomst vaker als toevluchtsoord voor werkgeversorganisaties en vakbonden fungeren als er akkoorden moeten worden gesloten.

Dit akkoord blijkt echter niet het gewenste resultaat te brengen. Werknemers blijven onrustig en ontevreden. De leden van de vakbeweging komen steeds meer in opstand tegen de in hun ogen te lage lonen die in de Stichting via loonadviezen tot stand komen. Het protest tegen de eigen vakbondsleiders neemt toe. En ook werkgevers willen dat hun voormannen meer regie nemen.
De Stichting wil af van de overheidsbemoeienis bij de loonpolitiek en geleidelijk neemt ze de verantwoordelijkheden over. Tegelijkertijd grijpt het kabinet echter nog regelmatig in, niet alleen als de loonsverhogingen volgens de overheid te hoog zijn maar ook als vakbonden en werkgevers er samen niet uitkomen.

Aan het einde van dit decennium wordt de maatschappij steeds meer gekenmerkt door polarisatie. Het is niet alleen flowerpower wat de klok slaat. De radicalisering zorgt af en toe voor een grimmige sfeer. Werknemers gaan de strijd aan met ‘het kapitalisme’. Vaak zonder dat de vakbonden hierbij betrokken zijn. De lont wordt meer dan eens aangestoken door de CPN, de Communistische Partij Nederland. Het is de tijd van het Bouwvakkersoproer (1966), de Maagdenhuisbezetting (1969) en de 400-guldenstakingen (1970).

Vergadering van de Stichting van de Arbeid op 26 mei 1968. 
Vergadering van de Stichting van de Arbeid op 26 mei 1968.
Vrezen voor haar voortbestaan: de jaren vijftig

Nederland werkt aan zijn wederopbouw. Bij de Stichting van de Arbeid staan de jaren vijftig in het teken van de discussie over de voortzetting van de Stichting. De oprichting van de Sociaal-Economische Raad (SER) in 1950 is een signaal naar de Stichting: doet zij er nog wel toe?

De SER is, op verzoek van de sociale partners, opgericht om meer invloed te krijgen op wetgeving op het terrein van arbeid en sociale zekerheid. Verankerd in de wet wordt de SER het adviesorgaan voor de overheid op dat terrein. Dirk Stikker, inmiddels geen voorzitter van de Stichting meer maar ambassadeur in Londen, betwijfelt bij het tienjarig jubileum van de Stichting in 1955 hardop of hij een jubelrede of een lijkrede moet houden. Hij besluit tot het eerste en drukt tijdens die jubileumviering het bestuur op het hart goed voor de Stichting te blijven zorgen.

Het College van Rijksbemiddelaars vergadert ondertussen regelmatig met de Looncommissie van de Stichting. De onderhandelingen over loonsverhoging gaan moeizaam en het lukt meestal niet om snel tot overeenstemming te komen. Dat leidt in de pers herhaaldelijk tot speculaties over het uiteenvallen van de Stichting. Voor de werkgevers en werknemers binnen de Stichting is dat overigens eind jaren vijftig geen onderwerp van gesprek meer. Voor hen staat vast dat de Stichting een meerwaarde heeft ook al komen de loonadviezen moeizaam tot stand. Bij het uitblijven van overeenstemming uit de onvrede van sociale partners zich meer en meer op de overheid die niet tegemoet wil komen aan hun wensen.

Vaak worden de onderhandelingen informeel - buiten de vergadering met het College van Rijksbemiddelaars om - voortgezet in een overleg tussen de voorzitters op een geheime locatie. Op die manier kunnen vakbonden en werkgeversorganisaties onder elkaar zonder ruchtbaarheid elkaars visie aftasten en samen ten strijde trekken richting de overheid. Het feit dat er in de Stichting nog steeds loonafspraken worden gemaakt, geeft haar bestaansrecht: ze heeft een taak die werkgevers en werknemers ten goede komt.

In de jaren zestig komt het einde van het College in zicht; zijn bevoegdheden worden overgeheveld naar de Stichting. De hoop is dat dit werkgevers en werknemers sneller en dichter bij elkaar zal brengen om loonafspraken te maken. Het blijft echter wel ‘geleide loonpolitiek’: de regering heeft nog steeds het laatste woord.

De Stichting van de Arbeid vergadert met het College van Rijksbemiddelaars op 29 september 1959.

De Stichting van de Arbeid vergadert met het College van Rijksbemiddelaars op 29 september 1959
De oprichting van de Stichting van de Arbeid

Op 7 mei 1945 staat op de voorpagina van de nieuwe, in de oorlog illegaal opgerichte, krant Trouw de aankondiging: de Stichting van de Arbeid is opgericht. Al tijdens de oorlog waren de plannen gesmeed en twee dagen na de bevrijding maakt de Stichting zich openbaar. Oprichter Dirk Stikker spreekt in diezelfde week op Radio Hilversum het Nederlandse volk toe: “De Stichting van den Arbeid is het centraal orgaan van georganiseerde samenwerking tussen werkgevers en arbeiders in Nederland op sociaal gebied”.

Stikker is voorzitter van de Stichting namens de werkgevers, aan werknemerszijde is dat Evert Kupers. Beide mannen hebben een nauwe band, die vooral door de oorlogsomstandigheden is ontstaan. Hun vertrouwen in elkaar zorgt ervoor dat ze bereid zijn samen aan de slag te gaan voor de wederopbouw van Nederland. Als de werknemers in ruil voor dit algemeen belang bereid zijn om een lager loon te accepteren, dan nemen de werkgevers genoegen met minder winst.

Het initiatief voor de Stichting komt van de voorzitter van de werkgeversvereniging. Samen met de vakbonden willen de centrale werkgeversorganisaties wetgeving op het terrein van arbeid zo veel mogelijk in eigen hand houden. Dat doel ligt echter verder weg dan gedacht. Het kost hen, als privaatrechtelijke organisatie, in die eerste naoorlogse maanden al veel moeite om erkenning als gesprekspartners te krijgen van het net aangetreden kabinet. Minister-president Schermerhorn hield afstand en liet de onderhandelingen over aan zijn minister van Sociale Zaken, Willem Drees. In augustus 45 stemt het kabinet uiteindelijk in met de erkenning van de Stichting, maar enkel als adviesorgaan.

De eerste jaren houdt de Stichting zich vooral bezig met de loonontwikkeling, wat later de ‘geleide loonpolitiek’ gaat heten. De regering bepaalt in die jaren de mate van loonsverhoging per sector. Voorafgaand aan een loonsverhoging controleert het onafhankelijk College van Rijksbemiddelaars of de cao-afspraken over lonen en andere arbeidsvoorwaarden niet te veel afwijken van de wensen van de overheid. Het College is verplicht advies in te winnen bij de Stichting maar de overheid heeft het laatste woord. De Looncommissie die hiervoor verantwoordelijk is, wordt de belangrijkste commissie van de Stichting.

In deze beginjaren heeft de Stichting haar eigen tijdschrift, Sociale Voorlichting. Alles wat van belang is voor de werknemers en werkgevers staat erin: van nieuws over uurlonen, wetgeving op het terrein van arbeid tot informatie over wat de Stichting zoal doet.

Bestuur Stichting van de Arbeid 1947
Het bestuur van de Stichting van de Arbeid in 1947