Dag 5: Armoe drijft tot samenwerking

20 februari 2015

 Leo Severs
Oude rot Leo Severs aan de slag met de jonkies

Leo Severs, 57 jaar oud, docent aan de Vakopleiding Carrosseriebedrijf, is wat je noemt een echte oude rot. “Een deuk heeft geen geheimen voor mij”, lacht hij. Na een lang werkzaam leven, eerst als leerling, later ervaren met daarna een eigen bedrijf, is Leo nu fulltime opleider. En de branche mag in zijn handjes knijpen met deze man die nieuwe aanwas in de sector de basisvaardigheden leert. En dat gaat verder, veel verder dan alleen uitdeuken en lakken. Tijdens de boterham in het kantoortje – het lawaai van gehamer op spatborden en het geknetter van lasapparaten is even gaan liggen – vertelt Severs over de ontwikkelingen in zijn vak, de sector en zijn rol als docent. En over het nut en de noodzaak van het sectorplan Carrosserie. De negen leerlingen van vandaag haasten zich naar de kantine, naar de smartphones.

Bedrijven die zich richten op het herstellen van schades aan auto’s, bedrijfswagens en vrachtauto’s bevinden zich in zwaar weer. Van de ongeveer 1.600 bedrijven in de hoogtijdagen voor de crisis zijn er nu zo’n 900 over. “En dat aantal wordt nog minder”, stelt Severs. De oorzaak schuilt echter niet alleen in een tegenvallende economie. “Auto’s zijn veiliger geworden met allerlei sensoren en systemen zoals ‘brake-assist’, parkeersensoren, het antiblokkeersysteem. En ook de wegen zijn breder geworden, er zijn meer rotondes en drempels gekomen. En dat leidt tot veel minder ongelukken en dus schades.” Met een knipoog voegt hij er aan toe: “Maar er zijn ook veel mensen die bellen, whatsappen en twitteren achter het stuur.” De sector is volgens Severs de afgelopen jaren sterk gekrompen door natuurlijk verloop, ontslagen en faillissementen. Maar ook de druk van de verzekeraars heeft een aandeel gehad in dit verloop: “Alles moest goedkoper en nog eens goedkoper.”

“Toen we met het sectorplan aan de slag gingen, was de eerste uitdaging: ‘Hoe krijgen we de bedrijven zo ver om te investeren? We hebben daarom veel bedrijven bezocht en uitgelegd wat het sectorplan voor hén en de branche betekent. Het sectorplan dicht een gat. Door de druk op de bedrijven is er weinig geld en tijd voor begeleiding van nieuwe jongens op het werk. Met het sectorplan wordt dit gat gedicht”, vat Severs samen. Het landelijke sectorplan carrosserie richt zich naast instroom van jongeren ook vooral op scholing van de oudere werknemers. “De nieuwe ontwikkelingen in de auto-industrie volgen elkaar snel op. We moeten die kennis wel bijhouden.” Het sectorplan van in totaal zo’n € 6,5 miljoen omvat een reeks maatregelen en initiatieven om de nieuwe en bestaande werknemers met deze ontwikkelingen mee te laten groeien. Het kabinet draagt hier bijna € 2,4 miljoen aan bij. De werkgevers- en werknemersorganisaties financieren de rest.

Ook vakdocent Severs zelf is nog lang niet uitgeleerd. “Levenslang leren doe ik graag en is ook goed. Zo ben ik nu bezig met het afronden van een cursus Pedagogisch Didactische Vaardigheden. Omdat ik bij het opleiden merkte dat ik op bepaalde punten meer inzicht en kennis wilde hebben. Want het opleiden van zo’n groep, zoals ik nu hier vandaag heb, is geen eenheidsworst. Bij iedere jongen moet je in de gaten houden waar hij staat en wat hij kan. En op het juiste moment weer op de juiste manier prikkelen, zodat hij enthousiast en leergierig blijft. Het helpt als je zelf kinderen hebt en al heel wat jaartjes meeloopt maar je wil ook meer houvast met inhoudelijke kennis. Daarom doe ik die cursus. Bij dit soort groepen is de één verder dan de ander, heeft de één meer talent op een bepaald gebied dan de ander en dat moet je in de gaten houden. Je wil niet dat die jongens uit frustratie of verveling afhaken.” De negen jongens, tussen 19 en 22 jaar oud, zitten intussen in de kantine gebogen over hun telefoontjes. “Die moeten ze opbergen. Alleen als je vrouw of vriendin op het punt staat om te bevallen mag je ‘m bij je hebben.”

Opleiden van jongens betekent ook opvoeden, bijsturen en normen en waarden overbrengen. Van simpelweg op tijd komen, respect voor elkaar tot het bewust worden van de risico’s van het vak. “Wat zijn de gevaren van chemische stoffen en bijvoorbeeld de schadelijke straling bij het lassen? Ik peper ze in: alles wat je ziet in de werkplaats is potentieel gevaarlijk.” Daarnaast kijk Severs ook verder dan de waan van de dag. “Je moet bijblijven, vooruitlopen op wat er allemaal in de werkplaats komt. De nieuwe auto’s vergen ook een nieuwe aanpak bij schadeherstel. Er worden nieuwe soorten plaatmateriaal gebruikt, nieuwe elektronische componenten die overal in de auto’s zitten. Je moet weten bij elk merk en ieder type auto wat je wel en niet kunt doen.” In de werkplaats staan daarom ook een paar gloednieuwe auto’s met forse schade. “Die kopen we in bij sloopbedrijven, als studiemateriaal. Ook de autoverkopers verzorgen trainingen als er een nieuw model op de markt komt. De auto is en blijft een heilige koe in Nederland. In Parijs doen ze niet moeilijk over een deukje, maar de Nederlanders willen het liefst een puntgave auto.”

Nu Severs de instroom van nieuwe schadeherstellers opleidt, met dank aan het sectorplan, stuit hij ook op de gevolgen van het plan. “De grote vraag voor mij is: wat komt er ná het sectorplan? Het aantal schadeherstelbedrijven neemt nog steeds af en de opleidingen worden steeds intensiever. Hoe krijgen we het samen voor elkaar dat we op deze voet verder blijven gaan?” Toch is Severs positief gestemd over de toekomst van zijn vak: “Het is natuurlijk ook zo dat armoe drijft tot samenwerking.” 
 


Actieteam crisisbestrijding
Seger Pijnenburg
Seger Pijnenburg