Buitengewoon opsporingsambtenaren (BOAs) in gesprek

Wetgeving gelijke behandeling


Gelijke behandeling van mannen en vrouwen is een grondrecht, een mensenrecht, géén gunst.

Het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeidsvoorwaarden is verwoord in een aantal wettelijke regelingen. Deze staan in het Burgerlijk Wetboek (BW), de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen (WGB) en de Algemene wet gelijke behandeling (AWGB). De AWGB verbiedt ook onderscheid op basis van godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, nationaliteit, seksuele gerichtheid of burgerlijke staat. Daarnaast is er wetgeving over gelijke behandeling op grond van arbeidsduur, bepaalde en onbepaalde tijd, leeftijd en handicap.
Het College voor de Rechten van de Mens houdt toezicht op mensenrechten in Nederland en doet uitspraken over vermeende discriminatie. Op de website van het College is een overzicht van de relevante Nederlandse wetgeving te vinden.

Direct onderscheid behelst altijd een rechtstreekse verwijzing naar een persoonskenmerk uit de gelijke behandelingswetgeving. Bij de in de AWGB genoemde gronden is direct onderscheid alleen toegestaan voor de in de wet opgenomen uitzonderingen. Bij indirect onderscheid, als in de praktijk een bepaalde groep personen door een ogenschijnlijk neutraal criterium in het bijzonder wordt getroffen, is een objectieve rechtvaardiging voor het onderscheid mogelijk. Als het doel legitiem is, het middel passend en noodzakelijk, dan kan onderscheid objectief gerechtvaardigd worden.

Bij andere wettelijk geregelde criteria (arbeidsduur, tijdelijke contracten, handicap, leeftijd) is zowel voor direct als indirect onderscheid een objectieve rechtvaardiging mogelijk. Dat moet echter van geval tot geval beoordeeld worden. Op het internet zijn concrete voorbeeldtoetsen te vinden.

Het algemene gelijkheidsbeginsel, dat in de grondwet en in mensenrechtenverdragen geborgd is, kent een veel algemener toetsingskader: redelijkheid en billijkheid, zoals dat ook al in het begrip ‘goed werkgeverschap’ besloten ligt.

Arresten en uitspraken

Of sprake is van loondiscriminatie kan worden vastgesteld door rechterlijke instanties. Een laagdrempelige procedure is mogelijk bij het College voor de Rechten van de Mens. Het College hoort degene die een klacht indient, de werkgever en zo nodig getuigen. Vervolgens oordeelt het College of er in die specifieke zaak sprake is van verboden beloningsonderscheid. De oordelen zijn niet bindend maar wel gezaghebbend en worden vaak opgevolgd. Een andere optie is om een procedure bij de kantonrechter te starten, dat kan rechtstreeks of na een oordeel van het College. De rechter moet dit oordeel meenemen in de eigen afwegingen.
Een samenvatting van de oordelen over gelijke beloning biedt inzicht welk onderscheid het College niet gerechtvaardigd vindt. Een aantal relevante rechterlijke uitspraken inclusief enige arresten van de Hoge Raad waar het algemene gelijkheidsbeginsel aan de orde is, staan op de pagina Uitspraken.

Internationale regelgeving

De Nederlandse wetgeving over gelijke beloning en gelijke behandeling vloeit voort uit Europese verdragen en regelgeving. Artikel 157 van het EU-Werkingsverdrag bepaalt dat lidstaten ervoor moeten zorgen dat het beginsel van gelijke beloning van mannelijke en vrouwelijke werknemers voor gelijke of gelijkwaardige arbeid wordt toegepast. (Voorheen was dit opgenomen in artikel 141 EG-verdrag en daarvoor artikel 119 EEG.)
De rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie over gelijke beloning is dan ook relevant voor de Nederlandse praktijk. Lees verder op de pagina Uitspraken.